Acht staat voor Eeuwig – Psalm `119 en meer

Acht regels, acht trefwoorden

Psalm 119 bestaat uit verzen van steeds acht regels die beginnen met dezelfde letter van het Hebreeuwse alfabet. Ook zijn er acht trefwoorden, synoniemen van “Gods Woord”, die steeds terugkomen. Daarover meer in een volgend artikel.

Waarom acht?

Eeuwig

Acht is zeven plus één. Zeven staat voor “volmaakt”. Denk aan de kandelaar met zeven armen. Ook zijn er zeven scheppingsdagen. Daardoor hebben we de weekcyclus. Met acht wordt de cirkel van zeven weer opgepakt bij het begin. Daarom staat acht voor eeuwigheid, zonder eind.

Door het gebruik van het aantal acht drukt de psalm dus uit dat Gods Woord voor eeuwig is. Dat staat ook in de psalm zelf. Precies bij het begin van de tweede helft, een soort tussentitel. Dat is vers 89:

Voor eeuwig, HEERE, staat Uw woord vast in de hemel.

Deze boodschap zit ook nog op een andere manier in de psalm verborgen. De term “voor eeuwig” komt precies tien keer voor! Een verwijzing naar de tien geboden.

Terug naar het begin

Het teruggaan naar het begin bij acht vinden we ook geïllustreerd in de tweede strofe (vers 9-16). De eerste en de achtste, laatste, regel gaan daar over “Uw woord“.

Psalm 119:9 Waarmee houdt een jongeman zijn pad zuiver? Als hij dat bewaart overeenkomstig Uw woord.
Psalm 119:16 Ik verblijd mij in Uw verordeningen, Uw woord vergeet ik niet.

Mogelijk is dit niet direct in de eerste strofe gedaan, omdat die een inleiding is op de hele psalm en omdat hij moest verwijzen naar Psalm 1.

Ons symbool voor oneindig is een liggende acht

Waar wordt het aantal acht op dezelfde manier gebruikt?

Acht Zaligsprekingen

De acht zaligsprekingen op de deur van de Domkerk van Oslo

Er zijn ook acht Zaligsprekingen van Jezus. (De “negende” is de nadere toepassing van de achtste op Jezus’ volgelingen).

Het is opvallend dat bij de eerste en achtste zaligspreking dezelfde belofte staat.

Mattheüs 5:3 Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Mattheüs 5:10 Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.

Dus de achtste zaligspreking gaat ook weer terug naar het begin om zo de eeuwigheidswaarde van deze uitspraken te laten zien.

De achthoekige Kerk van de Zaligsprekingen aan het Meer van Galilea

Acht profeten

In de Joodse indeling bestaan de Profeten uit acht boeken:

Jozua, Richteren, Samuel, Koningen
Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Twaalf Kleine Profeten

Wie de eerste vier geen profeten vindt, maar geschiedenisboeken, kan bedenken dat in al die boeken ook over profeten wordt geschreven en dat bovendien die geschiedenis is opgeschreven vanuit profetisch perspectief.

Om het zo te houden, zijn de boeken Daniel, Klaagliederen, Kronieken, etc. niet ingedeeld bij de Profeten, maar bij de Geschriften.

Acht alfabetpsalmen

In het boek Psalmen staan precies acht alfabetpsalmen (9/10, 25, 34, 37, 111, 112, 119 en 145). Ook daarover wil ik een apart artikel maken. 

Bij de afbeelding boven het artikel
Rotskoepel Jeruzalem
De Rotskoepel in Jeruzalem is gebouwd door moslims, maar is in feite een monument voor de tempel, die op dezelfde plek heeft gestaan en die mogelijk ooit weer terug zal komen. Het gebouw is achthoekig. Toen ik deze foto nam, stonden toevallig acht mannen op de trappen.

Psalm 119 – Saaie psalm?

Saai?

Mijn eerste reactie toen ik voor het eerst deze psalm bewust las, was: Wat een saai gedicht!  De schrijver komt gewoon niet verder, ondanks dat dit de langste psalm is.

Alfabetpsalmen

Die reactie was onterecht. Het is helemaal niet de bedoeling dat er een ontwikkeling in zit. Deze psalm is één van de alfabetpsalmen – de regels beginnen met de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet. Bij de betere vertalingen, zoals de HSV, staan die letters erbij. Aleph, Beth, Gimel, etc. Het idee van de alfabetpsalmen is om allerlei aspecten van één thema te belichten. Bij Psalm 119 kun je het thema samenvatten als: Uw Woord en ik. Deze psalm is bijzonder omdat het Hebreeuwse alfabet niet in 22 regels wordt afgelopen, maar steeds zijn er zelfs 8 regels die met dezelfde letter beginnen. Zo komen we op 176 regels, die elk weer een andere kant van het thema laten zien. Niet één is hetzelfde! De dichter heeft juist zijn best gedaan om de psalm niet te saai te maken.

In een volgend artikel hoop ik meer te schrijven over hoe knap Psalm 119 in elkaar zit.

Acrostichon

O ja, taalkundigen en leraren voelen zich ongelukkig als je hier de term “acrostichon” niet laat vallen. Voor deze mensen dus: alfabetpsalmen worden een vorm van acrostichon genoemd.

Schrijver

Wie heeft hem gemaakt? Dat staat er niet boven. Volgens een traditie was de priester Ezra de schrijver. Hij en Nehemia hadden grote liefde voor Gods woord. Er was ook tegenstand. Ook dat komt in deze psalm behoorlijk aan bod. Daniel wordt ook genoemd als mogelijke schrijver. Ook David, maar dan had het er vast wel boven gestaan. 

Berijmingen

Petrus Datheen 1566

De berijming van Petrus Datheen maakt steeds één psalmvers van twee onberijmde regels in de Bijbel. Zo zijn er 88 verzen. Hij is niet op een Nederlandse vertaling gebaseerd, maar op een Franse berijming. Dat gaf Petrus wel de gelegenheid om zijn vroomheid in de vertaling te leggen. Verder heeft hij, om snel te kunnen voldoen aan de grote behoefte aan een Calvinistische psalmberijming in de Nederlandse taal, alle verband tussen melodie en klemtoon van de tekst laten vallen. Dat maakt de verzen moeilijk zingbaar. Hij was zich daar zelf zeker van bewust: „Met grooten haast gemaakt en hem schier als een ontijdige geboorte afgedrongen“. Zijn berijming werd snel zo populair dat er geen kans meer was op betere berijmingen van andere dichters of van hemzelf.

Statenberijming 1773

Deze berijming heeft het systeem van Datheen vastgehouden: twee onberijmde regels voor één vers. Volgens het principe van deze berijming staat alles uit de onberijmde Statenvertaling erin, aangevuld met opvulling voor ritme en rijm. Die opvulling komt vaak uit een andere plaats in de Bijbel, maar soms krijgt de tekst wel een andere kleur.

Liedboek voor de Kerken 1967

De berijming van 1967 in het Liedboek voor de Kerken doet het met minder verzen, namelijk 66. De verzen van deze berijming klinken meestal heel mooi. Daarvoor moest er wel wat toegevoegd en afgedaan worden aan de oorspronkelijke tekst.

De Nieuwe Psalm Berijming 2021

Een prestatie van formaat leverden Adriaan Molenaar en Bob Vuijk voor De Nieuwe Psalm Berijming. Psalm 119 in 44 verzen en nog op alfabet ook! De eerste twee beginnen met een A, de volgende met een B enzovoort. Gelukkig telt het Nederlandse alfabet 4 letters meer dan het Hebreeuwse, zodat ze de lastige C, Q, X en Y konden laten vallen. De lijn van de psalm zit er helemaal in. In deze compacte berijming zijn natuurlijk wel allerlei details gesneuveld. 

Volgende artikelen over Psalm 119

De Promotie van Jezus

Marcus 11  en Marcus 12

Jezus’ bevoegdheid

Jezus deed zijn intocht in Jeruzalem als de lang beloofde Koning. Hij bracht de stad in opschudding. Hij stuurde ook de verkopers weg uit de tempel (Marcus 11:15). Nu komen de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten naar Hem toe met de vragen: “Met welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven om deze dingen te doen?”

In de tijd van Jezus werd je niet zomaar Rabbi. Daar moest je toe benoemd worden. Dat gebeurde dan door handoplegging, nadat de kandidaat door verschillende Rabbi’s was ondervraagd. Net zoiets als wanneer iemand nu op een universiteit promoveert tot doctor. Daarna had de rabbi geestelijk gezag.

Jezus kan hierop het echte antwoord niet geven, namelijk dat hij door Zijn Hemelse Vader tot Messias is aangesteld. Dat hadden ze zeker niet aangenomen. Daarom komt Hij met de vergelijking met de doop van Johannes. Daarvoor geldt immers hetzelfde. Ook Johannes de Doper was niet officieel door hen aangesteld.

De slechte landbouwers

Vervolgens vertelt Jezus de gelijkenis van de slechte landbouwers (12:1-12). Zonder het rechtsreeks te zeggen, geeft Hij zijn tegenstanders wel een paar schokkende zaken te concluderen.

    1. Jezus is de Zoon van God.
    2. Zijn opponenten, de huidige leiders zullen er zelfs toe komen om Hem te doden
    3. God zal de huidige leiders het gezag ontnemen.

Ze hebben direct begrepen dat Hij met de wijngaard verwees naar Jesaja 5.

Drie vragen

Dan komen er drie vragen op Jezus af. Drie vragen, onafhankelijk door verschillende mensen gesteld. Het waren niet zomaar vragen, maar dé strijdpunten van die tijd.

Jezus weet op alle drie vanuit een volkomen nieuwe invalshoek een afdoend antwoord gegeven! Een bewijs van Goddelijke genialiteit!

Wij zijn aan deze passages gewend en verbazen ons er niet zo meer over. Om te zien hoe bijzonder de antwoorden van Jezus waren, moet je inleven in Zijn tijd. Per vraag zijn ze hier uitgewerkt.

Er zit een duidelijke progressie in de intentie achter de vragen. De eerste was bedoeld om Jezus te laten arresteren, de tweede alleen om zijn ideeën belachelijk te maken en de derde om hem te bevragen over een belangrijk punt. Van uiterst negatief tot positief dus.

Toen durfde niemand hem meer iets te vragen (:34). Dat is raar! Zo’n geniale rabbi zou je alles willen vragen! Op het gebied van bijbeluitleg en voor persoonlijke zaken. Dat gebeurt nu nog in orthodox Joodse kringen. Hieruit blijkt de vijandige, bevooroordeelde houding van de Joodse leiders toen.

Er is nog een reden waarom ze verder niets vroegen. Ze liepen nu namelijk een groot risico.

Na de zin: “Niemand durfde Hem meer iets te vragen” staat er “en Jezus antwoordde”. Dat lijkt vreemd Er was toch juist geen vraag! Het Griekse woord apokrinomai heeft een ruimere betekenis: “reageren”. Dat kan door een antwoord te geven of op een andere manier.  Hij reageerde dus op het feit dat niemand hem iets durfde vragen. Dat is de vraag over de Messias, de Zoon van David.

Christus, Zoon van David

En Jezus antwoordde en zei, terwijl Hij onderwijs gaf in de tempel: Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Christus een Zoon van David is? Want David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tegen mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten. David noemt Hem dus zelf zijn Heere en hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? (Markus 12:35-37)

Vroeger begreep ik niets van dit gedeelte. Ik las “hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn?” als een retorische vraag. Probeerde Jezus nou onderuit te halen dat de Messias de zoon van David is? Helemaal niet! Het is geen retorische vraag, maar een ondervraging, zoals bij een universitaire promotie.

We weten uit de Talmoed dat de kandidaat-rabbi ondervraagd werd op vier categorieën.

    1. Een praktische uitwerking van de wet (Chokma, halacha)
    2. Over bijbeluitleg. (Haggadah)
    3. Een vraag waarin een standpunt van de Rabbi belachelijk wordt gemaakt. (Boruth)
    4. Principes waaruit je moet leven. (Derech ‘eretz)

Zonder dat ze er enigszins op uitwaren, was Jezus nu ondervraagd op categorieën 1, 3 en 4. En dat niet op vergezochte punten, maar op de vragen van die tijd. 1 – de belastingpenning, 3 – de opstanding, 4 – het grootste gebod. Nu durfden ze Hem niet meer te vragen. Als hij nog één goed antwoord gaf over bijbeluitleg, hadden ze hem zelf tot Rabbi moeten promoveren. Dat risico wilden ze niet lopen.

Daarom komt Jezus zelf met een vraag uit deze categorie.  Daarop weten zelfs zijn geleerde opponenten het antwoord niet. Hij wel! De Messias is zowel de zoon van David als de Zoon van God.

Hiermee geeft Jezus en passant antwoord op de vragen aan het begin van het gedeelte. Met welke bevoegdheid? De bevoegdheid als Messias, de zoon van David! En wie heeft de bevoegdheid gegeven? God zelf!

Gepromoveerd!

En bovendien hadden zijn opponenten Jezus dus volgens hun eigen regels, op grond van de vier antwoorden, moeten promoveren tot Rabbi. Summa Cum Laude!

Met dank aan David T. Owen-Ball voor zijn artikel Rabbinic Rhetoric and the Tribute Passage (Mt. 22:15-22; Mk. 12:13-17; Lk. 20:20-26) in het tijdschrift Novum Testamentum.

Het Eerste Gebod

En een van de schriftgeleerden, die hen hoorde redetwisten en wist dat Hij hun goed geantwoord had, kwam naar Hem toe en vroeg Hem: Wat is het eerste van alle geboden? En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle geboden is: Luister, Israël! De Heere, onze God, de Heere is één. En u zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod groter dan deze. En de schriftgeleerde zei tegen Hem: Juist, Meester, U hebt naar waarheid gezegd dat God één is, en er is geen ander dan Hij. En Hem lief te hebben met heel het hart en met heel het verstand en met heel de ziel en met heel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers. En toen Jezus zag dat hij verstandig geantwoord had, zei Hij tegen hem: U bent niet ver van het Koninkrijk van God. En niemand durfde Hem meer iets te vragen.

Marcus 12:28-34

Ik heb er lang over gedaan voor ik doorhad wat hier nou bijzonder is in het antwoord van Jezus. Wij zijn het ook zo gewend in de kerk! “Dit is het eerste en het grote gebod en het tweede daaraan gelijk…”

De vraag over het eerste gebod was onder schriftgeleerden populair. Bedoeld werd natuurlijk niet het eerste in tijd, maar een samenvatting van de wet, als principe om vanuit te leven, waar de hele Thora uit zou volgen. Zoiets als dat de natuurkundigen vanaf Einstein tot nu proberen om alle natuurkrachten onder te brengen in één theorie.

Bekend was het verhaal over de rabbi’s Shammai en Hillel, die een generatie eerder hadden geleefd. Er was een heidense man die naar Shammai kwam en tegen hem zei: ‘Ik wil wel proseliet worden, maar alleen op voorwaarde dat je me de hele Thora leert terwijl ik op één voet sta”. Shammai joeg hem weg met een meetlatje, dat hij bij zich had. De man ging toen naar Hillel met hetzelfde voorstel. Die had geantwoord: “Wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook je naaste niet. Dat is de hele Thora. De rest is commentaar. Ga en leer dat te doen!”

Andere antwoorden waren Micha 6:8: “recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God”, of “Zoek mij en leef” uit Amos 5:4 of “De rechtvaardige zal uit zijn geloof leven”, Habakuk 2:4.

Opponent

Uit het feit dat deze wetgeleerde Jezus met deze vraag confronteert, blijkt dat hij Jezus als een volwaardige opponent zag. Niet de vijandige houding van de Farizeeën met de belastingvraag of de minachting van de Sadduceeën met de opstandingsvraag.

Het Eerste Gebod

Jezus’ antwoord met dé Joodse Geloofsbelijdenis uit Thora is verrassend elegant!

En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle geboden is: Luister, Israël! De Heere, onze God, de Heere is één. En u zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht (Deuteronomium 6:4,5). Dit is het eerste gebod.

Dit antwoord plaatst God bovenaan!

De woorden “uw verstand” staan niet in Deuteronomium. Waarom hier wel? In het Hebreeuws houdt “hart” ook het verstand in. Niet alleen gevoel. “Hij overlegde in zijn hart”. In het Nederlands is dat niet zo. Bij ons kan het zijn: “mijn hart zegt ja, maar mijn verstand zegt nee”. In het Grieks is het ook niet zo duidelijk. Daarom heeft Marcus de woorden van Jezus dynamisch equivalent vertaald en “verstand” erbij gezet. Anders dan de Satenvertaling!

Het Tweede Gebod

En het tweede, hieraan gelijk, is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod groter dan deze.

Het tweede gebod? Daar had nog nooit iemand naar gevraagd! De schriftgeleerden hadden het steeds alleen gehad over een eerste gebod. “U zult uw naaste liefhebben als uzelf” is ook een veel minder opvallende tekst, bijna terloops genoemd in Leviticus 19:18. Jezus stelt hiermee dat je God liefhebt door je naaste lief te hebben. Dat is de verrassing in Jezus’ antwoord!

Door de liefde tot de naaste te noemen komt het dichtbij. Heb ik wel mijn naaste lief? In ieder geval hadden de voorgaande Farizeeën en Sadduceeën Jezus niet lief! Zij hadden geprobeerd om hem ten val te brengen.

Uit de reactie van deze wetgeleerde blijkt dat hij Jezus nu nog meer respecteert. Hij beaamt hem en vult hem aan.

Batik van Greet Visser
"Luister, Israël! De Heere, onze God, de Heere is één. En u zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht. En het tweede is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf." Batik van Greet Visser

Dichtbij

En toen Jezus zag dat hij verstandig geantwoord had, zei Hij tegen hem: U bent niet ver van het Koninkrijk van God. Met andere woorden: “U bent er heel dichtbij!”

En hoe dan verder? Van dichtbij zijn, erin komen? Door het eerste en het tweede gebod te gaan te doen! Dan loop je er ook vanzelf tegenaan dat het niet lukt en dan moet je gaan vertrouwen op Gods genade.

Jezus en de Belasting – een geniaal antwoord

Wat zou jij doen als je een vraag kreeg waarop je, afhankelijk van je antwoord, ofwel gearresteerd zou worden, ofwel je gezag zou verliezen?

Markus 12:13-17 En zij stuurden enigen van de Farizeeën en van de Herodianen naar Hem toe om Hem op een woord te vangen. Dezen nu kwamen en zeiden tegen Hem: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en Zich door niemand laat beïnvloeden; want U ziet de persoon van de mensen niet aan, maar U onderwijst de weg van God in waarheid. Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Moeten wij betalen of niet betalen? Daar Hij echter hun huichelarij kende, zei Hij tegen hen: Waarom verzoekt u Mij? Breng Mij een penning, opdat Ik hem bekijk. En zij brachten er een. En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift? En zij zeiden tegen Hem: Van de keizer. Toen antwoordde Jezus hun: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is. En zij verwonderden zich over Hem.

De strikvraag

De vraag of het geoorloofd was om aan de Romeinen belasting te betalen was hét grote praktische strijdpunt van die tijd. Belasting aan een bezettende mogendheid wekt altijd weerstand op. Voor de gelovige Joden uit die tijd was de manier waarop de Romeinse munten uitgevoerd waren nog een veel groter struikelblok. De beeltenis van de keizer stond er namelijk op. Dit in tegenspraak met het gebod om geen afbeeldingen te maken. In het randschrift werd hij bovendien vergoddelijkt. Als je een dergelijk munt gebruikte, erkende en diende je daarmee andere goden.

Denarius. De tekst luidt: Tiberius Caesar, Zoon van de Goddelijke Augustus

Vanwege die belasting zijn er verschillende opstanden geweest, die bloedig waren neergeslagen. Velen hadden de pragmatische keuze gemaakt om toch maar te betalen, ondanks dat het zonde was. Anders zouden ze allemaal gevangengezet of gedood worden. Dan bleven er geen gelovige Joden meer over.

Het is doortrapt van de Farizeeën dat ze naast hun leerlingen ook Herodianen naar Jezus sturen. Zo komt Jezus altijd klem te zitten. De inleiding op hun strikvraag zet dit dilemma op scherp:
“Meester, wij weten dat U waarachtig bent en Zich door niemand laat beïnvloeden; want U ziet de persoon van de mensen niet aan, maar U onderwijst de weg van God in waarheid.

En dan de vraag:

“Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Moeten wij betalen of niet betalen?”
Als Jezus “Nee” zegt, roept hij op tot belastingontduiking en zal hij door de Herodianen gearresteerd worden.
Zegt Hij toch “Ja”, dan blijkt dus dat Hij helemaal niet die principiële en niet te beïnvloeden leraar is waar het volk hem voor houdt. Dan verliest Hij Zijn gezag.

De vleiende inleiding is een grote stimulans voor Jezus om “Nee” te zeggen en dus gearresteerd te worden.

Het antwoord

Wat kan Jezus nu nog doen? Hij komt met een onverwachte, maar eenvoudige, vraag.

“Breng Mij een penning, opdat Ik hem bekijk. En zij brachten er een. En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift? En zij zeiden tegen Hem: Van de keizer. Toen antwoordde Jezus hun: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.” Dat laatste zal Jezus wel met veel nadruk gesproken hebben. Daar hadden ze niet om gevraagd!

En zij verwonderden zich over Hem;
en zij verlieten Hem en gingen weg
, heeft Mattheus erbij geschreven.

De Herodianen zijn tevreden gesteld. Geen arrestatie vandaag. Deze man spoort de Joden aan om netjes hun belasting te betalen. Tot op vandaag denken velen dat dit de bedoeling van Jezus antwoord was. Betaal je belasting aan de staat, geef je collecte in de kerk en iedereen is tevreden.

Het beeld en het opschrift van God

De Farizeeën hebben een andere reactie. Zij verwachten van een rabbi een antwoord uit de Schrift, liefst uit de vijf boeken van Mozes. Ze weten ook dat Jezus compacte, cryptische, antwoorden geeft.

“Het beeld en het opschrift. Van de keizer en van God”. Wat is het beeld van God? Bijbelgetrouw als ze zijn, denken ze direct aan Gen 1:27. En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem.Wij zijn zelf het beeld van God! We moeten onszelf aan God teruggeven door ons leven in Zijn dienst te stellen. Hij heeft recht op ons!

En dan het opschrift van God. Wat Jezus hiermee bedoelde is voor ons lastiger om achter te komen. Voor de Farizeeën was het helemaal niet moeilijk. Ze zagen het voor hun ogen! Gods naam stond namelijk op hun voorhoofden. En wel op de tefillin, de gebedsriemen, die ze hadden.

Tefillin

Tegenwoordig hebben orthodoxe Joden deze tefillin alleen om wanneer ze bidden. Vandaar dat ze nu “gebedsriemen” heten. In de tijd van Jezus hadden Farizeeën ze altijd om. Misschien Jezus zelf ook. Het gaat niet om de riemen op zich, maar om de lederen capsules met Bijbelteksten die daarmee worden vastgebonden. Eén op het hoofd – tussen de ogen – en één op de hand. Dit in gehoorzaamheid aan o.m. Deut. 6:8: U moet de woorden die Ik u gebied als een teken op uw hand binden en ze moeten als een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn.

Zo worden tefillin nu gedragen

In die tijd waren de meeste ongeveer 1×2 cm groot. Dat weten we, doordat er tientallen gevonden zijn in grotten bij de Dode Zee, tussen de Dode Zeerollen. Binnen de lederen capsule zitten vier Bijbelgedeelten, geschreven op strookjes heel fijn perkament. Die zijn opgerold in compartimentjes genaaid. De groeven van die compartimentjes vormen de Hebreeuwse letter Shin, een soort W. Deze Shin staat volgens de traditie voor Shaddai, de Almachtige. Die gedachte vinden we ook in Openbaring 22:4 – Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.

Tegenwoordig knoopt men het doosje ook zo vast dat deze knoop de letter Dalet vormt. De knoop van de tefillin op de hand vormt de letter Jod. Samen maken ze het woord: Shaddai – de Almachtige. Echt een randschrift dus! “Zodat alle volken zien dat de naam van de Heere over u is uitgeroepen”.

We hebben er geen bewijs van dat ze in Jezus’ tijd ook al zo werden geknoopt, maar het zou zonder meer kunnen.

Een paar voorbeelden van Joodse gewoonten die al uit deze tijd stammen.

Hoofd Tefillin uit de tijd van Jezus in opgevouwen toestand.
Opengevouwen tefillin

De boodschap van het Opschrift van God is dus hetzelfde als van het Beeld van God: Ons lichaam is van God! Dat horen we in Zijn dienst te stellen.

Ook de inhoud van de teksten duidt hierop. Op één van de vier staat: “Luister, Israël! De HEERE, onze God, de HEERE is één! Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.”

Eén van de strookjes Bijbeltekst opengemaakt.

De strekking van het geheel

De strekking van Jezus antwoord is dus niet “Betaal braaf je belasting”, maar “Die hele belastingkwestie, waar iedereen zich zo druk over maakt, is helemaal niet belangrijk in vergelijking met de kwestie dat je jezelf aan God moet geven!”

Ik ben ervan overtuigd dat als Jezus niets anders gedaan en gezegd zou hebben dan deze ene uitspraak, dan was hij beroemd geworden. Misschien wel tot in deze tijd.

Uit het antwoord van Jezus blijkt Zijn Joods zijn en zijn genialiteit. Aangezien niemand anders hierop is gekomen, dringt de vraag zich op: Wie is Deze?

Voor wie Jezus serieus neemt, ligt er de vraag: “Hoe geef ik mezelf aan God?”

Lees ook de “Making-of” van dit artikel