Het bange schaap van Psalm 23

Psalm 23, de Heer is mijn Herder, is vast de populairste psalm. Maar hoe gaat het als je een wantrouwig schaap bent?

De locatie is hier de Negev woestijn, waar nog steeds Bedoeïenen hun kudden laten grazen en waar David vast aan gedacht zal hebben toen hij deze psalm schreef.

  1. De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets.

Ik vertrouw het niet, deze herder kan er vast niks van!

  1. Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,

Grazige weiden? Niks van te zien! Ik zie alleen maar stenen en stof. Wat een gesjouw door deze woestijn!

Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.

Het was die herder toch gelukt om een weitje te vinden. Prima gras om in te liggen. Maar wat dacht je? Geen water! Nu zijn we weer op sjouw. “Stille wateren” zegt hij. Hij is vast nog nooit eerder hier in de Negev geweest. Hier heb je alleen droge beddingen. En als het een keer regent, kolkt het water er doorheen. Dan word je helemaal meegesleurd en verdrink je in de Dode Zee! 

  1. Hij verkwikt mijn ziel,

Hij had toch nog water gevonden. Een rustig meertje, dat gevoed werd door een watervalletje uit de rots. Maar ik ben op van de spanning! Ik was steeds doodsbang dat er een vloed zou komen in die bedding. Ik kan nog bijna niet drinken.

Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid, omwille van Zijn Naam.

Allemaal sporen hier. De herder heeft er één gekozen, maar dat kan nooit het goede zijn. Links en rechts zag ik ook sporen. Die zagen er beter uit. Deze gaat helemaal nergens naartoe. Of naar een roofdier.

  1. Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.

Zie je wel, nu zijn we in dit enge dal terechtgekomen. Overal holen van roofdieren. En stenen waar slangen onder liggen. Ik ben nog nooit zo bang geweest! En de herder, die heeft een stok en een staf bij zich. Om mij te slaan natuurlijk!

  1. U maakt voor mij de tafel gereed voor de ogen van mijn tegenstanders;

Dat dal zijn we amper doorheen en nu gaat die domme herder ons eten geven! Op een vel dat hij heeft uitgespreid. Een “tafel” noemt hij het. Ik zie de ogen van luipaarden en wolven naar ons gluren vanuit het dal. En aan de andere kant loopt ook wat. Is het een leeuw of een beer? Ik durf niet te eten.

U zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over.

Wat krijg ik nou over mijn kop? Vettig spul! De herder denkt dat het goed is tegen de zon en droogte, maar ik vind het vies! En wat hij ook nog doet, hij geeft ons drinken, maar veel te veel. De drinkbak loopt over! Wat een verspilling!

  1. Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven.

Met deze herder kan ik alleen rampspoed verwachten. Mijn hele leven.

Ik zal in het huis van de HEERE blijven tot in lengte van dagen.

Wat gebeurt er nu? We komen bij een huis! De herder zegt dat hij mij zo lief vindt dat hij mij in zijn eigen huis wil nemen. Als huisdier. Hij vindt me lief? Dat kan niet kloppen! Hij zegt het om mij te bedriegen zodat ik rustig meeloop. Want dit is het slachthuis! Straks is het met mij gedaan! Ik ren weg, ver bij deze herder vandaan!

Beetje herkenbaar?

Norá – Ontzagwekkend!

Ontdekking in de structuur van Psalm 76

Psalmen zijn nooit spontaan opgeschreven. Er is altijd over nagedacht. De woorden zijn speciaal uitgekozen, zodat ze in het Hebreeuws goed klinken. Soms ook uitgeteld, zodat bijvoorbeeld de Naam van God zeven keer voorkomt in een psalm. Of dat een kernwoord precies in het midden staat.

Onlangs kwam ik dit weer tegen toen ik in Psalm 76 dook. Ik deed dit vanwege de zin “Daar brak Hij de vurige pijlen van de boog, het schild, het zwaard en de strijd.” (Vers 4, HSV). Dat hopen we en daar bidden we om. “Raketten, tanks, geweren en de oorlog” zou je nu zeggen.

Als kernwoord van deze psalm komt in aanmerking het Hebreeuwse woord Norá (נורָא). In de HSV in vers 8 vertaald met “ontzagwekkend” en in vers 13 met “Die gevreesd is”. Dit woord omsluit dus het tweede gedeelte van de psalm. Ook wordt er op verschillende manieren de aandacht naartoe geleid.

  • Door woorden met verwante betekenis, met dezelfde stam. Yar’á (יָֽרְאָ֣ה) vreesde” in vers 9 en morá (מֹּורָֽא) Hem Die te vrezen is” in vers 12.
  • Door klankverwante woorden. Nodá’ (נֹודָ֣ע)bekend”, het eerste woord van de psalm, en door Na’oor (נָ֭אֹור)schitterend” in vers 5.

Ik ging eens woorden tellen. Vers 1, de titel, niet meegerekend. Inderdaad, norá is het middelste woord! Vers 8: Attá norá átta (אַתָּ֤ה׀ נֹ֥ורָא אַ֗תָּה) “U, ontzagwekkend bent U!Norá is zelfs aan beide kanten geflankeerd door hetzelfde woord “attá”. Echt het kernwoord dus!

Waar komt norá nog meer voor in de Bijbel? De eerste keer in de geschiedenis van Jacob bij Bethel. Na zijn wonderlijke droom zei hij: (Genesis 28:17) “Hoe ontzagwekkend is deze plaats! Dit is niets anders dan het huis van God en de poort van de hemel”. De tweede keer in het Lied van Mozes, nadat de Egyptische paarden en strijdwagens door de zee waren bedolven. (Exodus 15:11) “Wie is als U, verheerlijkt in heiligheid, ontzagwekkend in lofzangen, U Die wonderen doet?

Het vers voorafgaande aan Psalm 76:8 verwijst naar beide gebeurtenissen! Psalm 76:7:

Door Uw bestraffing, o God van Jakob, vielen strijdwagen en paard in een diepe slaap.”

Het kan best dat er nog meer bijzondere verwijzingen en structuur in deze psalm te vinden zijn. Voor mij was dit voorlopig wel genoeg. Het illustreert weer hoe goed er door de psalmisten is nagedacht over de keuze en plaatsing van de psalmwoorden. De boodschap is hier: “God is ontzagwekkend!”

Wat heeft dat ons te zeggen?

Het gebed van Zacharias

Zacharias gaat staan achter het reukofferaltaar. Alleen, in de heilige hal van de tempel. Uit een vuurpan giet hij gloeiende kolen op het altaar. Hij schikt ze netjes tot een mooi rond hoopje vuur. Dan pakt hij een zakje en strooit er korrels op. De tempel wordt gevuld met de karakteristieke geur die alleen het reukoffer heeft. Zacharias had er weleens een vleug van opgevangen, maar nu staat hij vol in de wolk. Als een toevallige gast, die mag meegenieten van wat bestemd is voor God. Hij bidt.

Mijn beê, met opgeheven handen,
Klimm’ voor Uw heilig aangezicht,
Als reukwerk, voor U toegericht,
Als offers, die des avonds branden
.

Zo had zijn vader deze Psalm 141 gebeden en ook zijn grootvader. Een lange lijst van voorouders. Minstens tot vader Azarja, in de tijd toen Ezra en Nehemia de tempeldienst opnieuw regelden. Misschien nog veel langer. Had David dit gebed voor het reukoffer speciaal voor hogepriester Zadok gemaakt? Of had David opgeschreven wat al sinds Aaron werd gebeden?

Net als zijn vaderen was Zacharias begonnen met het eerste vers.

‘k Roep, HEER, in angst tot U gevloden,
Ai, haast U tot mijn hulp en red;
Hoor naar de stem van mijn gebed,
Daar ik U aanroep in mijn noden.

Hij had gedacht aan zijn eigen noden. Daar nodigt deze psalm toe uit. Zijn kinderloosheid. Voor hem en zijn vrouw Elisabeth het grote verdriet.

Uit een jarenlange gewoonte bracht hij dit in gebed. ‘Haast U tot mijn hulp’, had hij thuis altijd gebeden. Nu, op zijn meest bijzondere moment, bad hij hetzelfde, al had hij geen enkele hoop meer. ‘Het ging haar niet meer naar de wijze der vrouwen’, klonk de Schrift in hem door.

Zet, HEER, een wacht voor mijne lippen;
Behoed de deuren van mijn mond,
Opdat ik mij, tot genen stond,
Iets onbedachtzaams laat’ ontglippen.

Natuurlijk bad hij dit in het oud-Hebreeuws. Dat klonk voor hem en zijn tijdgenoten ongeveer zoals voor ons een oude psalmberijming. Vertrouwd en verouderd. Verheven taal met geheimen.

D’ oprechte sla mij zonder vrezen,
Ik reken zulks weldadigheid…

De rook wordt langzaam minder dicht. Plotseling ziet hij in de nevel een man, vlak bij hem, rechts naast het altaar. Hij weet niet wat hij er van moet denken. Heeft hij kwade bedoelingen? ‘Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elizabeth zal u een zoon baren en u zult hem de naam Johannes geven’, hoort hij de man zeggen. Deze vervolgt zijn boodschap en vertelt wat voor iemand die zoon zal zijn en wat hij gaat doen.

Eerst is Zacharias verbouwereerd, maar al snel raakt hij verontwaardigd. Hij, Zacharias van de afdeling van Abia, is de enige die hier in het Heilige van de tempel hoort te zijn! Wie is deze figuur om hier te staan en om dit soort dingen te beweren? Des te langer de man spreekt, des te meer neemt Zacharias’ scepsis toe. Ik een zoon krijgen? Een profeet zelfs? Iemand als Elia notabene! Deze fantast moet direct uit de tempel gezet worden! Toch weerhoudt iets in deze vreemdeling hem om de daad bij het woord te voegen. Als de man is uitgesproken, brengt hij alleen uit: ‘Hoe zal ik dat weten? Want ik ben oud en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen.’

Zacharias laat Jeruzalem en de tempel achter zich. Op weg naar huis. Hij kan geen woord zeggen, maar van binnen juicht hij! Hij begint zelfs te lachen. ‘Het gebed is verhoord! De HEER heeft een wacht voor mijn lippen gezet. De Oprechte heeft mij geslagen. Dan zal Hij alles laten gebeuren, zoals gezegd is!’

Dit stukje is eerder verschenen in het Protestants Kerkblad Delft in de adventstijd van 2018

Kees Visser