Acht staat voor Eeuwig – Psalm `119 en meer

Acht regels, acht trefwoorden

Psalm 119 bestaat uit verzen van steeds acht regels die beginnen met dezelfde letter van het Hebreeuwse alfabet. Ook zijn er acht trefwoorden, synoniemen van “Gods Woord”, die steeds terugkomen. Daarover meer in een volgend artikel.

Waarom acht?

Eeuwig

Acht is zeven plus één. Zeven staat voor “volmaakt”. Denk aan de kandelaar met zeven armen. Ook zijn er zeven scheppingsdagen. Daardoor hebben we de weekcyclus. Met acht wordt de cirkel van zeven weer opgepakt bij het begin. Daarom staat acht voor eeuwigheid, zonder eind.

Door het gebruik van het aantal acht drukt de psalm dus uit dat Gods Woord voor eeuwig is. Dat staat ook in de psalm zelf. Precies bij het begin van de tweede helft, een soort tussentitel. Dat is vers 89:

Voor eeuwig, HEERE, staat Uw woord vast in de hemel.

Deze boodschap zit ook nog op een andere manier in de psalm verborgen. De term “voor eeuwig” komt precies tien keer voor! Een verwijzing naar de tien geboden.

Terug naar het begin

Het teruggaan naar het begin bij acht vinden we ook geïllustreerd in de tweede strofe (vers 9-16). De eerste en de achtste, laatste, regel gaan daar over “Uw woord“.

Psalm 119:9 Waarmee houdt een jongeman zijn pad zuiver? Als hij dat bewaart overeenkomstig Uw woord.
Psalm 119:16 Ik verblijd mij in Uw verordeningen, Uw woord vergeet ik niet.

Mogelijk is dit niet direct in de eerste strofe gedaan, omdat die een inleiding is op de hele psalm en omdat hij moest verwijzen naar Psalm 1.

Ons symbool voor oneindig is een liggende acht

Waar wordt het aantal acht op dezelfde manier gebruikt?

Acht Zaligsprekingen

De acht zaligsprekingen op de deur van de Domkerk van Oslo

Er zijn ook acht Zaligsprekingen van Jezus. (De “negende” is de nadere toepassing van de achtste op Jezus’ volgelingen).

Het is opvallend dat bij de eerste en achtste zaligspreking dezelfde belofte staat.

Mattheüs 5:3 Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Mattheüs 5:10 Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.

Dus de achtste zaligspreking gaat ook weer terug naar het begin om zo de eeuwigheidswaarde van deze uitspraken te laten zien.

De achthoekige Kerk van de Zaligsprekingen aan het Meer van Galilea

Acht profeten

In de Joodse indeling bestaan de Profeten uit acht boeken:

Jozua, Richteren, Samuel, Koningen
Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Twaalf Kleine Profeten

Wie de eerste vier geen profeten vindt, maar geschiedenisboeken, kan bedenken dat in al die boeken ook over profeten wordt geschreven en dat bovendien die geschiedenis is opgeschreven vanuit profetisch perspectief.

Om het zo te houden, zijn de boeken Daniel, Klaagliederen, Kronieken, etc. niet ingedeeld bij de Profeten, maar bij de Geschriften.

Acht alfabetpsalmen

In het boek Psalmen staan precies acht alfabetpsalmen (9/10, 25, 34, 37, 111, 112, 119 en 145). Ook daarover wil ik een apart artikel maken. 

Bij de afbeelding boven het artikel
Rotskoepel Jeruzalem
De Rotskoepel in Jeruzalem is gebouwd door moslims, maar is in feite een monument voor de tempel, die op dezelfde plek heeft gestaan en die mogelijk ooit weer terug zal komen. Het gebouw is achthoekig. Toen ik deze foto nam, stonden toevallig acht mannen op de trappen.

1 en 19 is 119

Welzalig Wandelen in de Wet

Welzalig”, “wandelen“, en “in de wet van de HEERE“. Daar beginnen zowel Psalm 1 als Psalm 119 mee. Dat kan geen toeval zijn!

Psalm 1:1 Welzalig de man die niet wandelt in de raad van de goddelozen.
…maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE

Psalm 119:1 Welzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet van de HEERE gaan.

Psalm 119 plaatst zich hiermee duidelijk in de lijn van de openingspsalm 1. Doen wat God van je wilt is het belangrijkste in het leven. Daar wordt je gelukkig van!

Woordsynoniemen

Een tweede Bijbelgedeelte waar Psalm 119 van afstamt, is Psalm 19. Immers in beide psalmen worden verschillende aspecten van Gods Woord in synoniemen na elkaar belicht. Dit zijn de enige Bijbelgedeelten waarin dat gebeurt.

Psalm 19:8-10

De wet van de HEERE is volmaakt,
zij bekeert de ziel;
de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar,
zij geeft de eenvoudige wijsheid.
De bevelen van de HEERE zijn recht,
zij verblijden het hart;
het gebod van de HEERE is zuiver,
het verlicht de ogen.
De vreze des HEEREN is rein,
zij houdt voor eeuwig stand;
de bepalingen van de HEERE zijn waarachtig,
met elkaar zijn zij rechtvaardig.

De dichter van Psalm 119 moet gedacht hebben: Wat mooi! Dat ga ik ook doen, maar dan veel uitgebreider. 

De drie eerste synoniemen zijn dezelfde.

Psalm 119:1-4

Welzalig zijn de oprechten van wandel,
die in de wet van de HEERE gaan.
Welzalig wie Zijn getuigenissen in acht nemen,
die Hem met heel hun hart zoeken,
die ook geen onrecht bedrijven,
maar in Zijn wegen gaan.
HEERE, Ú hebt geboden
om Uw bevelen ten zeerste in acht te nemen.

Wat is Toeval?

De inhoud van Psalm 119 heeft dus duidelijke connecties naar psalmen 1 en 19. Als je 1 en 19 na elkaar schrijft, krijg je natuurlijk 119. Toeval? Misschien wel, maar het kan ook opzettelijk zijn. In een volgende artikel hoop ik een ander voorbeeld te geven waaruit blijkt dat afzonderlijke psalmen weloverwogen in het boek Psalmen zijn geplaatst.

Psalm 119 – Saaie psalm?

Saai?

Mijn eerste reactie toen ik voor het eerst deze psalm bewust las, was: Wat een saai gedicht!  De schrijver komt gewoon niet verder, ondanks dat dit de langste psalm is.

Alfabetpsalmen

Die reactie was onterecht. Het is helemaal niet de bedoeling dat er een ontwikkeling in zit. Deze psalm is één van de alfabetpsalmen – de regels beginnen met de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet. Bij de betere vertalingen, zoals de HSV, staan die letters erbij. Aleph, Beth, Gimel, etc. Het idee van de alfabetpsalmen is om allerlei aspecten van één thema te belichten. Bij Psalm 119 kun je het thema samenvatten als: Uw Woord en ik. Deze psalm is bijzonder omdat het Hebreeuwse alfabet niet in 22 regels wordt afgelopen, maar steeds zijn er zelfs 8 regels die met dezelfde letter beginnen. Zo komen we op 176 regels, die elk weer een andere kant van het thema laten zien. Niet één is hetzelfde! De dichter heeft juist zijn best gedaan om de psalm niet te saai te maken.

In een volgend artikel hoop ik meer te schrijven over hoe knap Psalm 119 in elkaar zit.

Acrostichon

O ja, taalkundigen en leraren voelen zich ongelukkig als je hier de term “acrostichon” niet laat vallen. Voor deze mensen dus: alfabetpsalmen worden een vorm van acrostichon genoemd.

Schrijver

Wie heeft hem gemaakt? Dat staat er niet boven. Volgens een traditie was de priester Ezra de schrijver. Hij en Nehemia hadden grote liefde voor Gods woord. Er was ook tegenstand. Ook dat komt in deze psalm behoorlijk aan bod. Daniel wordt ook genoemd als mogelijke schrijver. Ook David, maar dan had het er vast wel boven gestaan. 

Berijmingen

Petrus Datheen 1566

De berijming van Petrus Datheen maakt steeds één psalmvers van twee onberijmde regels in de Bijbel. Zo zijn er 88 verzen. Hij is niet op een Nederlandse vertaling gebaseerd, maar op een Franse berijming. Dat gaf Petrus wel de gelegenheid om zijn vroomheid in de vertaling te leggen. Verder heeft hij, om snel te kunnen voldoen aan de grote behoefte aan een Calvinistische psalmberijming in de Nederlandse taal, alle verband tussen melodie en klemtoon van de tekst laten vallen. Dat maakt de verzen moeilijk zingbaar. Hij was zich daar zelf zeker van bewust: „Met grooten haast gemaakt en hem schier als een ontijdige geboorte afgedrongen“. Zijn berijming werd snel zo populair dat er geen kans meer was op betere berijmingen van andere dichters of van hemzelf.

Statenberijming 1773

Deze berijming heeft het systeem van Datheen vastgehouden: twee onberijmde regels voor één vers. Volgens het principe van deze berijming staat alles uit de onberijmde Statenvertaling erin, aangevuld met opvulling voor ritme en rijm. Die opvulling komt vaak uit een andere plaats in de Bijbel, maar soms krijgt de tekst wel een andere kleur.

Liedboek voor de Kerken 1967

De berijming van 1967 in het Liedboek voor de Kerken doet het met minder verzen, namelijk 66. De verzen van deze berijming klinken meestal heel mooi. Daarvoor moest er wel wat toegevoegd en afgedaan worden aan de oorspronkelijke tekst.

De Nieuwe Psalm Berijming 2021

Een prestatie van formaat leverden Adriaan Molenaar en Bob Vuijk voor De Nieuwe Psalm Berijming. Psalm 119 in 44 verzen en nog op alfabet ook! De eerste twee beginnen met een A, de volgende met een B enzovoort. Gelukkig telt het Nederlandse alfabet 4 letters meer dan het Hebreeuwse, zodat ze de lastige C, Q, X en Y konden laten vallen. De lijn van de psalm zit er helemaal in. In deze compacte berijming zijn natuurlijk wel allerlei details gesneuveld. 

Volgende artikelen over Psalm 119

Psalm 121 verbeterd

Psalm 121 is een heel bekende psalm. Het is wonderlijk dat nauwkeurige lezing van de Hebreeuwse tekst op een paar plaatsen tot iets anders leidt dan vrijwel alle vertalingen. De grootste handicap voor vertalers is de vorige vertaling! 

Als basis voor deze vertaling heb ik de NBV21 genomen omdat dit een heel dichterlijke vertaling is, in uitstekend Nederlands. Wijzigingen staan cursief en blauw aangegeven.

Een pelgrimslied

Ik sla mijn ogen op naar de bergen.
    Van waar komt mijn hulp?
Mijn hulp is van de HEER,
    De maker[1] van hemel en aarde!
Hij zal je voet toch[2] niet laten wankelen?
    Je wachter zal toch niet sluimeren?
Nee, Hij sluimert niet en Hij slaapt niet,
    De wachter van Israël!

De HEER is je wachter,
    De HEER is je beschermende[3] schaduw aan je rechterhand
Overdag kan de zon je niet steken,
    En bij nacht is er de maan[4].
De HEER behoedt je voor alle kwaad
    Hij waakt over je leven,
De HEER houdt de wacht over je gaan en je komen
    Van nu tot in eeuwigheid.


[1] De  vervoeging kan inhouden dat God nog steeds bezig is met maken.

[2] Hier staat in het Hebreeuws een ander woord “niet”,  dat uitdrukt “niet doen!” Het eerste deel van deze psalm bestaat uit twee keer een vragende, twijfelende, zin, gevolgd door een stevig bevestigend antwoord. Veel levendiger dan de meeste vertalingen! 

[3] Het Hebreeuwse woord voor schaduw houdt verband met beschermen.

[4] In alle bekende vertalingen is hier vertaald dat de maan je niet steekt of schade doet. Hoe, dan? Daar hebben commentators zich het hoofd over gebroken. Dat de zon kan steken is bekend, maar de maan??? Gelukkig, het staat er niet! Het woord “niet” staat in deze zin maar één keer, namelijk bij de zon. Als bedoeld was dat “niet” ook op de maan sloeg, had het daar ook gestaan. Dat is wel het geval in de derde en vierde zin, waar twee keer “niet” staat. Het idee dat de maan je kwaad zou kunnen doen (maanziek) stamt van later tijd. Bedoeld wordt gewoon dat de maan er ’s nachts is om je bij te lichten. Als in het Hebreeuws staat “de maan in de nacht”, betekent dat “de maan is er in de nacht”. De Duitse rabbi Hirsch was de eerste die dit zag.

Met dank aan degenen die deze verbeteringen hebben aangegeven! Piet van Midden met name voor opmerking [2] en Lukas de Groote voor [4].

De foto heb ik enkele jaren geleden genomen in de woestijn van Judea.

Het bange schaap van Psalm 23

Psalm 23, de Heer is mijn Herder, is vast de populairste psalm. Maar hoe gaat het als je een wantrouwig schaap bent?

De locatie is hier de Negev woestijn, waar nog steeds Bedoeïenen hun kudden laten grazen en waar David vast aan gedacht zal hebben toen hij deze psalm schreef.

  1. De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets.

Ik vertrouw het niet, deze herder kan er vast niks van!

  1. Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,

Grazige weiden? Niks van te zien! Ik zie alleen maar stenen en stof. Wat een gesjouw door deze woestijn!

Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.

Het was die herder toch gelukt om een weitje te vinden. Prima gras om in te liggen. Maar wat dacht je? Geen water! Nu zijn we weer op sjouw. “Stille wateren” zegt hij. Hij is vast nog nooit eerder hier in de Negev geweest. Hier heb je alleen droge beddingen. En als het een keer regent, kolkt het water er doorheen. Dan word je helemaal meegesleurd en verdrink je in de Dode Zee! 

  1. Hij verkwikt mijn ziel,

Hij had toch nog water gevonden. Een rustig meertje, dat gevoed werd door een watervalletje uit de rots. Maar ik ben op van de spanning! Ik was steeds doodsbang dat er een vloed zou komen in die bedding. Ik kan nog bijna niet drinken.

Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid, omwille van Zijn Naam.

Allemaal sporen hier. De herder heeft er één gekozen, maar dat kan nooit het goede zijn. Links en rechts zag ik ook sporen. Die zagen er beter uit. Deze gaat helemaal nergens naartoe. Of naar een roofdier.

  1. Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.

Zie je wel, nu zijn we in dit enge dal terechtgekomen. Overal holen van roofdieren. En stenen waar slangen onder liggen. Ik ben nog nooit zo bang geweest! En de herder, die heeft een stok en een staf bij zich. Om mij te slaan natuurlijk!

  1. U maakt voor mij de tafel gereed voor de ogen van mijn tegenstanders;

Dat dal zijn we amper doorheen en nu gaat die domme herder ons eten geven! Op een vel dat hij heeft uitgespreid. Een “tafel” noemt hij het. Ik zie de ogen van luipaarden en wolven naar ons gluren vanuit het dal. En aan de andere kant loopt ook wat. Is het een leeuw of een beer? Ik durf niet te eten.

U zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over.

Wat krijg ik nou over mijn kop? Vettig spul! De herder denkt dat het goed is tegen de zon en droogte, maar ik vind het vies! En wat hij ook nog doet, hij geeft ons drinken, maar veel te veel. De drinkbak loopt over! Wat een verspilling!

  1. Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven.

Met deze herder kan ik alleen rampspoed verwachten. Mijn hele leven.

Ik zal in het huis van de HEERE blijven tot in lengte van dagen.

Wat gebeurt er nu? We komen bij een huis! De herder zegt dat hij mij zo lief vindt dat hij mij in zijn eigen huis wil nemen. Als huisdier. Hij vindt me lief? Dat kan niet kloppen! Hij zegt het om mij te bedriegen zodat ik rustig meeloop. Want dit is het slachthuis! Straks is het met mij gedaan! Ik ren weg, ver bij deze herder vandaan!

Beetje herkenbaar?

Gods Geheime Krijgsplan

Gideon en zijn bende

Het verhaal van Gideon vinden we in Richteren 6, 7 en 8.

Wat de Schrift bedoelt, is hier voor ons, meer dan 3000 jaar en 3000 kilometer verwijderd van deze actie, niet altijd zo helder. Door in te leven in de tekst en de situatie denk ik het duidelijk te kunnen maken.

De situatie

De Israëlieten leven in een agrarische samenleving. Ze hebben een los stamverband, zonder centrale leiding.  De buren, de Midianieten, leven nomadisch. Zij hebben wel koningen die het volk dirigeren. Op een moment bedenken die dat het veel handiger is om jaarlijks de Israëlieten van hun oogst te beroven, dan om met hun eigen kudden de schaarse vruchtbare plekken van de woestijnen af te grazen. Ze kunnen dit makkelijk doen, want ze zijn flink in de meerderheid. Zeker als andere nomadische volken zich bij hen aansluiten om mee te profiteren.

Het verlossingsplan

De God van Israël krijgt medelijden met Zijn verarmde volk, nadat ze tot Hem om hulp zijn gaan roepen. Hij heeft een plan, waarmee ze zich, ondanks hun numerieke minderheid, van de onderdrukkers kunnen ontdoen. Cruciaal voor dit plan is, dat het niet uitlekt naar de vijand. Daarom mogen ook de Israëlieten zelf het niet weten.

Leider

Om te beginnen moet er een leider komen. God kiest Gideon uit. Een gewone man uit een gewone stam, helemaal niet van adel of zo. Ook Gideon krijgt het krijgsplan niet te horen. Wat hij wél krijgt, zijn een heel aantal tekenen, waardoor hij toch het vertrouwen moet krijgen dat het met deze God wel goed gaat komen. Een oefening in geloof, zogezegd. 

Mobilisatie

Gideon weet eerst zijn eigen clan, de Abiëzrieten, bij elkaar te roepen. De rest van de stam Manasse krijgt er dan ook zin in. Vervolgens komen er strijdbare mannen uit nog drie naburige stammen. Bij elkaar 32000 man. Gideon zal blij zijn, maar nog lang niet tevreden. Het vijandelijke leger is meer dan vier keer zo groot! Zo gaat het heel spannend worden!

Demobilisatie?

God gaat Gideon weer aanwijzingen geven. Zal Hij aanraden om nog andere stammen op te roepen? Nee, “je hebt al te veel manschappen!” zegt God. “Straks ga je nog denken dat jouw machtige leger de Midianieten heeft verlagen.” Iedereen die bang is mag vertrekken. Dat blijken er heel veel te zijn. Ze hebben zeker ook door dat dit leger veel te klein is om de tegenstander te verslaan. Meer dan tweederde maakt zich uit de voeten. Ze worden naar Gilead gestuurd. Dat is helemaal naar de overkant van de Jordaan, waar de vijanden straks naartoe zullen vluchten. Nu zijn deze mannen bang, maar vermoeide strijders opvangen voordat ze zich kunnen hergroeperen, daar zijn ze prima voor geschikt. Alleen weten ze nu nog niet dat deze taak ze wacht.

Slurpen

Met maar tienduizend man de strijd aangaan tegen meer dan honderdduizend? Dat lijkt waanzin! Alleen zegt God dat het er nog  te veel zijn. Hij komt met een interessante selectieprocedure. Bij de bron Harod, “Ein Charod” op z’n Hebreeuws. 

Hier een opname van de bron.

Het water van de bron loopt uit in een meertje. Daar laat Gideon zijn mannen drinken.

Wat gebeurt er? De mannen zijn moe en dorstig. De meesten laten zich op hun buik vallen en beginnen het water op te slurpen. Slechts 300 blijven alert en brengen het met hun hand naar hun mond.

Een vriendelijke gids demonstreert het hier.

Onvoorzichtig
Alert

In de bende of naar huis

God zet tegen Gideon dat hij het moet doen met de 300  om de Midianieten  te verslaan. Deze leden van deze Gideonsbende zijn dus dapper, maar niet roekeloos.

De onvoorzichtige rest mag naar huis. In de buurt, dus makkelijk oproepbaar om vluchtende vijanden achterna te zitten. Daar hoef je niet voorzichtig voor te zijn! Alleen weten ook die nu nog niet dat deze taak ze wacht.

De 300 man stellen zich ’s nachts op rondom het vijandelijke kamp. Met fakkels en een hoop lawaai veroorzaken ze algehele paniek. Uniformen waren nog niet uitgevonden, zodat iedereen in ieder ander een vijand ziet. Na een aantal onderlinge gevechten slaat het hele kamp op de vlucht.

Greet constateert vanaf de heuvel More dat er inderdaad geen Midianieten zijn overgebleven in het dal

De afwikkeling

Nu wikkelt het plan zich af, zoals God het heeft bedoeld.

Behalve dan dat Gideon het nodig vindt om nog een andere grote stam erin te betrekken (7:24), wat direct onenigheid oplevert (8:1). En dat hij steden die hem niet willen helpen wreed straft (8:16,17). En dat hij zijn zoontje weerloze krijgsgevangenen wil laten doden (8:20). En dat hij een afgodsding maakt (8:27), als aandenken van de overwinning. En dat hij zich geen koning wil laten noemen (8:23), maar zich wel als koning gaat gedragen, inclusief een flinke harem (8:30). Wat na zijn dood ook weer een hoop narigheid oplevert (9:1-57).

Alleen het plan van God was volmaakt!

De Ondankbare Gouverneur

Toen kwam Petrus naar Hem toe en zei: Heere, hoeveel keer zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe? Jezus zei tegen hem: Ik zeg u: niet tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zevenmaal.

Daarom kan het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met een zeker koning die afrekening wilde houden met zijn dienaren. Toen hij begon af te rekenen, werd er iemand bij hem gebracht die hem tienduizend talenten schuldig was. En toen hij niet kon betalen, gaf zijn heer opdracht dat men hem zou verkopen, én zijn vrouw en kinderen en alles wat hij had, en dat de schuld betaald moest worden. De dienaar dan knielde voor hem neer en zei: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. En de heer van deze dienaar was innerlijk met ontferming bewogen, liet hem gaan en schold hem de schuld kwijt.

Maar deze dienaar ging naar buiten en trof een van zijn mededienaren aan, die hem honderd penningen schuldig was. Hij pakte hem beet, greep hem bij de keel en zei: Betaal mij wat u schuldig bent. Zijn mededienaar dan liet zich voor hem neervallen en smeekte hem: Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. Hij wilde echter niet, maar ging heen en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld betaald zou hebben. Toen zijn mededienaren zagen wat er gebeurd was, werden zij erg bedroefd; zij gingen naar hun heer en vertelden hem alles wat er gebeurd was. Toen riep zijn heer hem bij zich en zei tegen hem: Slechte dienaar, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, omdat u mij dat smeekte. Had ook u geen medelijden moeten hebben met uw mededienaar, zoals ik ook medelijden met u had? En zijn heer, boos als hij was, gaf hem aan de pijnigers over, totdat hij alles wat hij hem schuldig was, betaald zou hebben. Zo zal ook Mijn hemelse Vader met u doen, als niet ieder van u van harte de misdaden van zijn broeder vergeeft.

De ondankbare dienaar
Op de voorgrond de dienaar smekend om geduld. Op de achtergrond grijpt hij een ander bij de keel. Toegeschreven aan de Vlaamse schilder Pieter Pourbus, omstreeks 1570

Vragen

Dit gedeelte roept vragen op.  Wordt hier zo streng gestraft? Als slaaf verkopen, in de gevangenis werpen, pijnigen? Hoe kun je dit toepassen op God, de hemelse Vader?!

In werkelijkheid wordt hier niemand gestraft! Alleen proberen mensen vanuit hun perceptie te krijgen waar ze recht op hebben met de middelen die ze hebben.

De setting

Om te beginnen de setting. Die tienduizend talenten. Dat was in die tijd een gigantisch bedrag. De jaarlijkse belasting van een flink land. De “koning” in dit verhaal is dus de Romeinse Keizer. Die eerste dienaar is een gouverneur zoals Pilatus. Als de gouverneurs één voor één de belasting komen afdragen, zegt deze man “sorry ik heb het niet”. Een onbestaanbare wanprestatie! 

Verkoping

De keizer wil toch zoveel mogelijk gaan krijgen van het geld waar hij op gerekend heeft. Romeinse machtsbekleders bezaten altijd enorme landerijen. Die kan de keizer verkopen. De dienaar zelf als slaaf verkopen aan een buitenlandse mogendheid zal ook wat opbrengen. Idem zijn kinderen. Zijn vrouw zal wel niet de lelijkste geweest zijn. Een topmodel verkopen als seksslavin aan een miljardair levert echt wel wat op. Zo ging dat in die tijd. Gelukkig zijn onze gewoontes nu wat christelijker. Bij elkaar zal het misschien niet het verschuldigde bedrag hebben opgeleverd, maar het was ook niet te verwaarlozen.

Genade

Om dit schrikbeeld te voorkomen, begint de in ongenade gevallen gouverneur uit alle macht te smeken of de keizer nog wat geduld wil hebben. Dan zal hij alles wel betalen. Geen idee hoe hij dat had moeten doen. Echter, tegen alle verwachting, krijgt de keizer medelijden. Hij scheldt hem de hele schuld kwijt! Een ongelofelijk grootmoedige daad!

Ongenade

De dienaar verlaat de keizerlijke vertrekken. Helemaal beduusd en verheugd vanwege de reactie van zijn heer, zou je denken. Maar nee. Hij ziet iemand die hém wat schuldig is. Een bedrag met de waarde van het dagloon van een gewone arbeider. Voor iemand met zo’n hoge positie peanuts! Hij dreigt de man te wurgen en maant hem om direct terug te betalen. Op zijn beurt vraagt ook deze man om uitstel, maar dat krijgt hij niet. De zojuist begenadigde bewindsman zet direct het zwaarste middel in. Naar de gevangenis tot zijn debiteur betaald zal hebben. Zo’n gijzeling heeft natuurlijk alleen zin als een schuldenaar het geld wél heeft, maar het niet wíl betalen.

Ander inzicht

Als de keizer dit te horen krijgt, is hij uiteraard hevig verontwaardigd. Hij gaat nu ook heel anders denken over het geval met zijn gouverneur. Tot nu toe ging hij ervanuit dat het verschuldigde geld er gewoon niet was. Door wanbeleid verloren gegaan. Maar als die gouverneur van iemand anders denkt dat hij geld moedwillig achterhoudt, dan zal hij het zelf ongetwijfeld ook doen! Dat belastinggeld is er nog wel! Dan zal hij het ook krijgen! Martelen werd in die tijd gezien als een effectieve manier om iemand te dwingen om iets te doen wat hij wel kon, maar niet wilde.

Wat zegt dit ons

De belangrijkste boodschap is uiteraard die van Jezus. Vergeving van onze zonde door God is gekoppeld aan vergeving van anderen door ons.

Maar hoe kun je iemand vergeven die jou iets heel lelijks heeft aangedaan? Twee details uit deze gelijkenis kunnen ons daarbij helpen.

    1. De verhouding van de schuld. Hoeveel een ander je ook aandoet. Het valt in het niet tegen wat je zelf God aandoet. Hij vergeeft dat wel!
    2. Als je beseft dat iemand slechte dingen niet doet uit onwil, maar uit onmacht. Net zoals de keizer eerst dacht van zijn gouverneur. Denk altijd het beste van anderen!

Vragen

    • Is het reëel dat wij God zoveel tekortdoen als geschetst? Geldt dit voor iedereen? Of zou Jezus bewust overdrijven?
    • Wat als je iemand wel wilt vergeven, maar er emotioneel niet toe instaat bent?

De Keuzes van David

2 Samuel 5:17 – 2 Samuel 6

Een “Man naar Gods hart”. Maar in de praktijk had David best moeite om Gods wil te doen. Dat ging met vallen en opstaan. Eerst een voorbeeld van hoe het wél moet.

Maar allereerst gaan we nog even terug in de tijd.

Een Vaste Burcht

“Vandaag moet jij mee, David” zegt Isaï tegen zijn achtjarige zoon. “Deze week is Bethlehem aan de beurt om voor de proviand van koning Saul en zijn hofhouding te zorgen. We gaan kaas, rozijnen en dadels naar Gibea brengen. En schapen. Dat is jouw pakkie-an”. Ze gaan op weg. Verschillende boeren uit Bethlehem met hun knechten. David is nog nooit zo ver van huis geweest. Halverwege kijkt hij ineens op tegen een prachtige grote burcht. Een stad op een berg. “Wat is dít!? Is hij van ons of van de Filistijnen?” “Dat is Jeruzalem”, zegt zijn vader. “Dat is de stad van de Jebusieten. De Israëlieten kunnen hem niet veroveren en de Filistijnen is het ook nooit gelukt. Hij is onneembaar”. David denkt: “Wat zou het mooi zijn om in die stad te wonen! Nooit meer last van vijanden! Als ik daar de baas zou zijn…” Hij denkt aan Bethlehem, dat afwisselend een zelfstandige Israëlitische stad is en dan weer een tijd bezet door de Filistijnen. De Filistijnen legden hoge belastingen op. Nu moeten ze evenveel naar koning Saul brengen, maar dat is tenminste iemand van het eigen volk. Voor ongeveer de helft dan, hij is niet van de eigen stam Juda…

De Filistijnen in de Emek Refa’im

Nu zit David in Jeruzalem. Als koning zelfs! Zijn jongensdroom is meer dan uitgekomen. En wat gebeurt er.

2 Samuel 5:17 Toen de Filistijnen hoorden dat zij David tot koning over Israël gezalfd hadden, trokken alle Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, daalde hij af naar de vesting.

Zolang David in Hebron koninkje was over één stam, hadden de Filistijnen hem eerder als een bondgenoot gezien dan een tegenstander. Zij streden tegen het Israël van koning Isboseth, David ook. Nu hij koning is over heel Israël, is hij ineens hun grote vijand. De Filistijnen komen en bezetten het dal Refaïm, oftewel de Emek Refa’im. Een heel logische keus. Dat dal loopt vanaf de kustvlakte, waar zij de baas zijn, tot helemaal tegen Jeruzalem. Tegenwoordig tot in Jeruzalem, eindigend in de straat met deze naam. Daar zijn heel wat restaurants. Voor de Filistijnen een aanlokkelijk vooruitzicht!

Restaurantje in Emek Refa'im straat Jeruzalem

David daalt af naar een vesting, die in die richting ligt. Nu is hijzelf veilig, maar het land is nog wel bezet. Hij gaat niet op zijn eigen inzicht af, maar vraagt de Heere: “Zal ik optrekken”. Vast door de orakelstenen Urim en tummim. Het antwoord is “Ja”. Het wordt een grote overwinning. “Want met U ren ik door een legerbende, met mijn God spring ik over een muur”, zong David later. Ik denk altijd dat dat laatste een militaire uitdrukking was voor “door een linie breken`, maar ik heb nog geen vertaling gevonden die dat ook zo ziet. Vanwege de doorbraak die was geforceerd noemt hij de plaats “Bruchhausen”. Als hij een Duitser was geweest dan. Omdat hij Israëliet is, noemt hij hem Baal-Perazim, wat ongeveer hetzelfde betekent.

De Filistijnen lieten hun afgoden achter, net als de Israëlieten eerder de ark. David en zijn mannen namen ze mee als trofee. Daar hebben ze geen nadelige gevolgen van ondervonden, in tegenstelling tot de Filistijnen toen ze de ark meenamen. Volgens 1 Kronieken over dezelfde gebeurtenis, hebben ze die beelden verbrand.

Maar de Filistijnen weten zich te herstellen en rukken weer op. Wat ligt er meer voor de hand dan om hetzelfde te doen als de eerste keer?! Toch doet David het niet. Hij vraagt weer de Heere om raad. Nu is het advies heel anders. Het moet via een profeet zijn gekomen. Te specifiek voor Urim en Tummim. Hij moet omtrekken en wachten op het geluid van marcherende voetstappen in de moerbeibomen. Het geluid van de Heere, die voor hem uitgaat! David doet wat wordt gezegd en weet de Filistijnen definitief uit dit gebied te verdrijven.

Misschien is dit de verklaring dat de pizzeria in de Emek Refaim straat, waar we verschillende keren hadden gegeten, de vorige keer was verhuisd naar een locatie dichterbij de Stad van David. Van de Filistijnen hebben ze geen klandizie meer te verwachten.

De Ark naar Jeruzalem

Parade

Nu regeert David veilig in Jeruzalem. Een ideale plaats om Israël te besturen. Precies op de grens tussen de stammen Juda en Benjamin. Wel jammer dat Jeruzalem niet ook een religieus centrum is. Er is geen traditie zoals in Gilgal, Silo, Bethel. Dan denkt David aan de Ark van het Verbond. Vroeger trok het leger uit met de ark voorop. De Heere ging voor en Israël won altijd. Maar sinds de ark ooit door de Filistijnen is buitgemaakt, heeft hij zijn glans voor de meeste Israëlieten verloren.

Er is nog iets wat David dwars zit. Dat ze die Filistijnse afgodsbeelden hebben verbrand, was wel een goede actie. Alleen hadden ze nu niets om in triomf naar de hoofdstad te brengen. Dat valt nog goed te maken met de ark. Daarom roept hij de strijdbare mannen weer op om in een militaire parade de ark naar Jeruzalem te voeren. Dat zal die verloren glans wel weer oppoetsen.

De ark laat hij zetten op een nieuwe ossenwagen. Dat had bij de Filistijnen ook prima gewerkt. Vroeger moest hij door Levieten worden gedragen, maar dat was vroeger. Vroeger moesten ook speciale Levieten op de sjofar blazen en anderen juichen. Dat was te kaal voor deze parade! Het volk mag van alles laten klinken. Harpen, luiten, tamboerijnen, rinkelbellen en cimbalen. Een ratjetoe aan instrumenten en een kakofonie van geluiden. Het lijkt een uitbundige carnavalsoptocht. Het was een wonder van Gods genade dat het nog een tijd goed ging. Maar dan gaat het ook goed fout! Op een moment laten de ossen de ark vallen, staat er letterlijk. Bij het klimmen naar de hoge dorsvloer, glijdt hij van de mooie nieuwe wagen en dreigt op de grond te vallen. Als hij door Levieten was gedragen, had dit natuurlijk nooit kunnen gebeuren. Uzza, die de ark begeleid, steekt zijn hand uit. Met de beste bedoelingen uiteraard. Net als de Duitse soldaten die een stroomstoring wilden verhelpen. Als bezetter hadden ze de sleutel van het falende transformatorhuisje. Het resultaat was hetzelfde als bij Uzza. Zelfs de Levieten mochten de ark niet aanraken. Ze droegen hem met draagbomen. Het is zeer de vraag of Uzza een Leviet was.

Doorbraak

David wordt heel boos. Op wie? Vooral op zichzelf! Nu krijgt hij heilig ontzag voor de Heere. Tot nu toe was David het hoofd geweest van de operatie. Nu was de God de machtigste. Eerder leek Hij afwezig, nu was Hij was doorgebroken. Helaas op Uzza. Daarom noemt David de plaats Perez-Uzza, de Doorbraak van Uzza. (Ik vertaal vers 8 dus anders dan de HSV of NBV. Heel letterlijk: “En David ontstak (in woede) vanwege dat de Heere een doorbraak had doorgebroken in/tegen Uzza”. Zo staat het ook ongeveer in de Naardense Vertaling.) Dat is in dit verhaal de tweede plaats die naar een doorbraak is genoemd.

Nu zoekt hij voor de ark de dichtstbijzijnde Leviet op. Ene Obed Edom uit de Levietenstad Gat-Rimmon. Pas als blijkt de deze man gezegend wordt, durft David de ark verder te brengen. Het lag dus niet aan het verplaatsen naar Jeruzalem, maar aan de manier waarop.

Processie

Nu geen militaire parade, geen ossenwagen, geen ratels en rinkelbellen. De afdeling Levieten die de ark moeten dragen, dragen de ark. De Levieten die sjofar moeten blazen, blazen de sjofar. En David brengt offers nadat het zes passen goed was gegaan. Heel voorzichtig. “Dank U dat het toch kan!

Moderne "Levieten"

Nu is David ontzettend blij en opgelucht. Hij schrijdt ook niet als koning voorop, maar is eenvoudig gekleed. Solidair met de priesterstand, die hij de vorige keer heeft achtergesteld, draagt hij een linnen priesterhemd. Hij huppelt als een kind. Hij danst, hij springt, hij draait pirouettes.

David Danced Before the Lord with All His Might, James Tissot. Bron: Wikimedia Commons

Als de ark op zijn plaats staat, gaat hij iedereen bedanken en mee laten delen in de vreugde. Eerst de Heere God. Hij brengt twee soorten offers. Brandoffers – dit dier moet sterven in plaats van alle andere Uzza’s die in leven zijn gebleven. Vredeoffers – nu het goed is tussen God en ons, kunnen we samen maaltijd houden.

Dan het volk. God is bij de mensen gaan wonen. Daarom krijgt iedereen een kerstpakketje mee naar huis, met als inhoud luxebroodjes, dadels en rozijnen. Zowel mannen als vrouwen. Echt bijzonder, in een tijd waarin mannen en vrouwen vaak verschillende goden hadden. Waarin ook de man werd gezien als het hoofd en vertegenwoordiger van het gezin. Deze God is er voor ieder individu!

Kinderen

Tenslotte zijn vrouwen en kinderen. Enthousiast loopt hij naar zijn paleis. Maar dan komt de koude douche! Michal, zijn eerste vrouw, heeft hem vanuit het venster zien huppelen en ze is niet blij! Dit gedrag voor een koning! Zo is ze het van huis uit niet gewend! Ze komt hem tegemoet. Dan moet ze wel erg verontwaardigd zijn geweest.

Michal kijkt uit het raam. James Tissot

Vaak als in de Bijbel een man een vrouw van repliek dient, is er een aspect dat hij zich niet in kan leven in haar gevoelens, maar deze gevoelens deugen echt niet! David wil zich best als koning gedragen, maar hij heeft geleerd dat je tegenover God alleen kind kunt zijn. Of niet meer dan slaaf of slavin.

Michal heeft geen kind gekregen. “De dochter van Saul”, staat er steeds. Hiermee vergaat de laatste kans op regeren door nageslacht van de koning die zichzelf en zijn dynastie te belangrijk vond om Gods wil te doen. De toekomst ligt bij de degene die ervoor heeft gekozen om voor God een kind te zijn.

Een voorbeeld voor iedereen met een positie. Zeker als dat een geestelijke positie is.

 Lukas 14:11 Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

Lukas 18:17 Voorwaar zeg Ik u: Wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal daarin beslist niet binnengaan.

Feest in Jeruzalem

Het gebed van Zacharias

Zacharias gaat staan achter het reukofferaltaar. Alleen, in de heilige hal van de tempel. Uit een vuurpan giet hij gloeiende kolen op het altaar. Hij schikt ze netjes tot een mooi rond hoopje vuur. Dan pakt hij een zakje en strooit er korrels op. De tempel wordt gevuld met de karakteristieke geur die alleen het reukoffer heeft. Zacharias had er weleens een vleug van opgevangen, maar nu staat hij vol in de wolk. Als een toevallige gast, die mag meegenieten van wat bestemd is voor God. Hij bidt.

Mijn beê, met opgeheven handen,
Klimm’ voor Uw heilig aangezicht,
Als reukwerk, voor U toegericht,
Als offers, die des avonds branden
.

Zo had zijn vader deze Psalm 141 gebeden en ook zijn grootvader. Een lange lijst van voorouders. Minstens tot vader Azarja, in de tijd toen Ezra en Nehemia de tempeldienst opnieuw regelden. Misschien nog veel langer. Had David dit gebed voor het reukoffer speciaal voor hogepriester Zadok gemaakt? Of had David opgeschreven wat al sinds Aaron werd gebeden?

Net als zijn vaderen was Zacharias begonnen met het eerste vers.

‘k Roep, HEER, in angst tot U gevloden,
Ai, haast U tot mijn hulp en red;
Hoor naar de stem van mijn gebed,
Daar ik U aanroep in mijn noden.

Hij had gedacht aan zijn eigen noden. Daar nodigt deze psalm toe uit. Zijn kinderloosheid. Voor hem en zijn vrouw Elisabeth het grote verdriet.

Uit een jarenlange gewoonte bracht hij dit in gebed. ‘Haast U tot mijn hulp’, had hij thuis altijd gebeden. Nu, op zijn meest bijzondere moment, bad hij hetzelfde, al had hij geen enkele hoop meer. ‘Het ging haar niet meer naar de wijze der vrouwen’, klonk de Schrift in hem door.

Zet, HEER, een wacht voor mijne lippen;
Behoed de deuren van mijn mond,
Opdat ik mij, tot genen stond,
Iets onbedachtzaams laat’ ontglippen.

Natuurlijk bad hij dit in het oud-Hebreeuws. Dat klonk voor hem en zijn tijdgenoten ongeveer zoals voor ons een oude psalmberijming. Vertrouwd en verouderd. Verheven taal met geheimen.

D’ oprechte sla mij zonder vrezen,
Ik reken zulks weldadigheid…

De rook wordt langzaam minder dicht. Plotseling ziet hij in de nevel een man, vlak bij hem, rechts naast het altaar. Hij weet niet wat hij er van moet denken. Heeft hij kwade bedoelingen? ‘Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elizabeth zal u een zoon baren en u zult hem de naam Johannes geven’, hoort hij de man zeggen. Deze vervolgt zijn boodschap en vertelt wat voor iemand die zoon zal zijn en wat hij gaat doen.

Eerst is Zacharias verbouwereerd, maar al snel raakt hij verontwaardigd. Hij, Zacharias van de afdeling van Abia, is de enige die hier in het Heilige van de tempel hoort te zijn! Wie is deze figuur om hier te staan en om dit soort dingen te beweren? Des te langer de man spreekt, des te meer neemt Zacharias’ scepsis toe. Ik een zoon krijgen? Een profeet zelfs? Iemand als Elia notabene! Deze fantast moet direct uit de tempel gezet worden! Toch weerhoudt iets in deze vreemdeling hem om de daad bij het woord te voegen. Als de man is uitgesproken, brengt hij alleen uit: ‘Hoe zal ik dat weten? Want ik ben oud en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen.’

Zacharias laat Jeruzalem en de tempel achter zich. Op weg naar huis. Hij kan geen woord zeggen, maar van binnen juicht hij! Hij begint zelfs te lachen. ‘Het gebed is verhoord! De HEER heeft een wacht voor mijn lippen gezet. De Oprechte heeft mij geslagen. Dan zal Hij alles laten gebeuren, zoals gezegd is!’

Dit stukje is eerder verschenen in het Protestants Kerkblad Delft in de adventstijd van 2018

Kees Visser

De Promotie van Jezus

Marcus 11  en Marcus 12

Jezus’ bevoegdheid

Jezus deed zijn intocht in Jeruzalem als de lang beloofde Koning. Hij bracht de stad in opschudding. Hij stuurde ook de verkopers weg uit de tempel (Marcus 11:15). Nu komen de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten naar Hem toe met de vragen: “Met welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven om deze dingen te doen?”

In de tijd van Jezus werd je niet zomaar Rabbi. Daar moest je toe benoemd worden. Dat gebeurde dan door handoplegging, nadat de kandidaat door verschillende Rabbi’s was ondervraagd. Net zoiets als wanneer iemand nu op een universiteit promoveert tot doctor. Daarna had de rabbi geestelijk gezag.

Jezus kan hierop het echte antwoord niet geven, namelijk dat hij door Zijn Hemelse Vader tot Messias is aangesteld. Dat hadden ze zeker niet aangenomen. Daarom komt Hij met de vergelijking met de doop van Johannes. Daarvoor geldt immers hetzelfde. Ook Johannes de Doper was niet officieel door hen aangesteld.

De slechte landbouwers

Vervolgens vertelt Jezus de gelijkenis van de slechte landbouwers (12:1-12). Zonder het rechtsreeks te zeggen, geeft Hij zijn tegenstanders wel een paar schokkende zaken te concluderen.

    1. Jezus is de Zoon van God.
    2. Zijn opponenten, de huidige leiders zullen er zelfs toe komen om Hem te doden
    3. God zal de huidige leiders het gezag ontnemen.

Ze hebben direct begrepen dat Hij met de wijngaard verwees naar Jesaja 5.

Drie vragen

Dan komen er drie vragen op Jezus af. Drie vragen, onafhankelijk door verschillende mensen gesteld. Het waren niet zomaar vragen, maar dé strijdpunten van die tijd.

Jezus weet op alle drie vanuit een volkomen nieuwe invalshoek een afdoend antwoord gegeven! Een bewijs van Goddelijke genialiteit!

Wij zijn aan deze passages gewend en verbazen ons er niet zo meer over. Om te zien hoe bijzonder de antwoorden van Jezus waren, moet je inleven in Zijn tijd. Per vraag zijn ze hier uitgewerkt.

Er zit een duidelijke progressie in de intentie achter de vragen. De eerste was bedoeld om Jezus te laten arresteren, de tweede alleen om zijn ideeën belachelijk te maken en de derde om hem te bevragen over een belangrijk punt. Van uiterst negatief tot positief dus.

Toen durfde niemand hem meer iets te vragen (:34). Dat is raar! Zo’n geniale rabbi zou je alles willen vragen! Op het gebied van bijbeluitleg en voor persoonlijke zaken. Dat gebeurt nu nog in orthodox Joodse kringen. Hieruit blijkt de vijandige, bevooroordeelde houding van de Joodse leiders toen.

Er is nog een reden waarom ze verder niets vroegen. Ze liepen nu namelijk een groot risico.

Na de zin: “Niemand durfde Hem meer iets te vragen” staat er “en Jezus antwoordde”. Dat lijkt vreemd Er was toch juist geen vraag! Het Griekse woord apokrinomai heeft een ruimere betekenis: “reageren”. Dat kan door een antwoord te geven of op een andere manier.  Hij reageerde dus op het feit dat niemand hem iets durfde vragen. Dat is de vraag over de Messias, de Zoon van David.

Christus, Zoon van David

En Jezus antwoordde en zei, terwijl Hij onderwijs gaf in de tempel: Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Christus een Zoon van David is? Want David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tegen mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten. David noemt Hem dus zelf zijn Heere en hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? (Markus 12:35-37)

Vroeger begreep ik niets van dit gedeelte. Ik las “hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn?” als een retorische vraag. Probeerde Jezus nou onderuit te halen dat de Messias de zoon van David is? Helemaal niet! Het is geen retorische vraag, maar een ondervraging, zoals bij een universitaire promotie.

We weten uit de Talmoed dat de kandidaat-rabbi ondervraagd werd op vier categorieën.

    1. Een praktische uitwerking van de wet (Chokma, halacha)
    2. Over bijbeluitleg. (Haggadah)
    3. Een vraag waarin een standpunt van de Rabbi belachelijk wordt gemaakt. (Boruth)
    4. Principes waaruit je moet leven. (Derech ‘eretz)

Zonder dat ze er enigszins op uitwaren, was Jezus nu ondervraagd op categorieën 1, 3 en 4. En dat niet op vergezochte punten, maar op de vragen van die tijd. 1 – de belastingpenning, 3 – de opstanding, 4 – het grootste gebod. Nu durfden ze Hem niet meer te vragen. Als hij nog één goed antwoord gaf over bijbeluitleg, hadden ze hem zelf tot Rabbi moeten promoveren. Dat risico wilden ze niet lopen.

Daarom komt Jezus zelf met een vraag uit deze categorie.  Daarop weten zelfs zijn geleerde opponenten het antwoord niet. Hij wel! De Messias is zowel de zoon van David als de Zoon van God.

Hiermee geeft Jezus en passant antwoord op de vragen aan het begin van het gedeelte. Met welke bevoegdheid? De bevoegdheid als Messias, de zoon van David! En wie heeft de bevoegdheid gegeven? God zelf!

Gepromoveerd!

En bovendien hadden zijn opponenten Jezus dus volgens hun eigen regels, op grond van de vier antwoorden, moeten promoveren tot Rabbi. Summa Cum Laude!

Met dank aan David T. Owen-Ball voor zijn artikel Rabbinic Rhetoric and the Tribute Passage (Mt. 22:15-22; Mk. 12:13-17; Lk. 20:20-26) in het tijdschrift Novum Testamentum.