Het bange schaap van Psalm 23

Psalm 23, de Heer is mijn Herder, is vast de populairste psalm. Maar hoe gaat het als je een wantrouwig schaap bent?

De locatie is hier de Negev woestijn, waar nog steeds Bedoeïenen hun kudden laten grazen en waar David vast aan gedacht zal hebben toen hij deze psalm schreef.

  1. De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets.

Ik vertrouw het niet, deze herder kan er vast niks van!

  1. Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,

Grazige weiden? Niks van te zien! Ik zie alleen maar stenen en stof. Wat een gesjouw door deze woestijn!

Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.

Het was die herder toch gelukt om een weitje te vinden. Prima gras om in te liggen. Maar wat dacht je? Geen water! Nu zijn we weer op sjouw. “Stille wateren” zegt hij. Hij is vast nog nooit eerder hier in de Negev geweest. Hier heb je alleen droge beddingen. En als het een keer regent, kolkt het water er doorheen. Dan word je helemaal meegesleurd en verdrink je in de Dode Zee! 

  1. Hij verkwikt mijn ziel,

Hij had toch nog water gevonden. Een rustig meertje, dat gevoed werd door een watervalletje uit de rots. Maar ik ben op van de spanning! Ik was steeds doodsbang dat er een vloed zou komen in die bedding. Ik kan nog bijna niet drinken.

Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid, omwille van Zijn Naam.

Allemaal sporen hier. De herder heeft er één gekozen, maar dat kan nooit het goede zijn. Links en rechts zag ik ook sporen. Die zagen er beter uit. Deze gaat helemaal nergens naartoe. Of naar een roofdier.

  1. Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.

Zie je wel, nu zijn we in dit enge dal terechtgekomen. Overal holen van roofdieren. En stenen waar slangen onder liggen. Ik ben nog nooit zo bang geweest! En de herder, die heeft een stok en een staf bij zich. Om mij te slaan natuurlijk!

  1. U maakt voor mij de tafel gereed voor de ogen van mijn tegenstanders;

Dat dal zijn we amper doorheen en nu gaat die domme herder ons eten geven! Op een vel dat hij heeft uitgespreid. Een “tafel” noemt hij het. Ik zie de ogen van luipaarden en wolven naar ons gluren vanuit het dal. En aan de andere kant loopt ook wat. Is het een leeuw of een beer? Ik durf niet te eten.

U zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over.

Wat krijg ik nou over mijn kop? Vettig spul! De herder denkt dat het goed is tegen de zon en droogte, maar ik vind het vies! En wat hij ook nog doet, hij geeft ons drinken, maar veel te veel. De drinkbak loopt over! Wat een verspilling!

  1. Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven.

Met deze herder kan ik alleen rampspoed verwachten. Mijn hele leven.

Ik zal in het huis van de HEERE blijven tot in lengte van dagen.

Wat gebeurt er nu? We komen bij een huis! De herder zegt dat hij mij zo lief vindt dat hij mij in zijn eigen huis wil nemen. Als huisdier. Hij vindt me lief? Dat kan niet kloppen! Hij zegt het om mij te bedriegen zodat ik rustig meeloop. Want dit is het slachthuis! Straks is het met mij gedaan! Ik ren weg, ver bij deze herder vandaan!

Beetje herkenbaar?

De Keuzes van David

2 Samuel 5:17 – 2 Samuel 6

Een “Man naar Gods hart”. Maar in de praktijk had David best moeite om Gods wil te doen. Dat ging met vallen en opstaan. Eerst een voorbeeld van hoe het wél moet.

Maar allereerst gaan we nog even terug in de tijd.

Een Vaste Burcht

“Vandaag moet jij mee, David” zegt Isaï tegen zijn achtjarige zoon. “Deze week is Bethlehem aan de beurt om voor de proviand van koning Saul en zijn hofhouding te zorgen. We gaan kaas, rozijnen en dadels naar Gibea brengen. En schapen. Dat is jouw pakkie-an”. Ze gaan op weg. Verschillende boeren uit Bethlehem met hun knechten. David is nog nooit zo ver van huis geweest. Halverwege kijkt hij ineens op tegen een prachtige grote burcht. Een stad op een berg. “Wat is dít!? Is hij van ons of van de Filistijnen?” “Dat is Jeruzalem”, zegt zijn vader. “Dat is de stad van de Jebusieten. De Israëlieten kunnen hem niet veroveren en de Filistijnen is het ook nooit gelukt. Hij is onneembaar”. David denkt: “Wat zou het mooi zijn om in die stad te wonen! Nooit meer last van vijanden! Als ik daar de baas zou zijn…” Hij denkt aan Bethlehem, dat afwisselend een zelfstandige Israëlitische stad is en dan weer een tijd bezet door de Filistijnen. De Filistijnen legden hoge belastingen op. Nu moeten ze evenveel naar koning Saul brengen, maar dat is tenminste iemand van het eigen volk. Voor ongeveer de helft dan, hij is niet van de eigen stam Juda…

De Filistijnen in de Emek Refa’im

Nu zit David in Jeruzalem. Als koning zelfs! Zijn jongensdroom is meer dan uitgekomen. En wat gebeurt er.

2 Samuel 5:17 Toen de Filistijnen hoorden dat zij David tot koning over Israël gezalfd hadden, trokken alle Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, daalde hij af naar de vesting.

Zolang David in Hebron koninkje was over één stam, hadden de Filistijnen hem eerder als een bondgenoot gezien dan een tegenstander. Zij streden tegen het Israël van koning Isboseth, David ook. Nu hij koning is over heel Israël, is hij ineens hun grote vijand. De Filistijnen komen en bezetten het dal Refaïm, oftewel de Emek Refa’im. Een heel logische keus. Dat dal loopt vanaf de kustvlakte, waar zij de baas zijn, tot helemaal tegen Jeruzalem. Tegenwoordig tot in Jeruzalem, eindigend in de straat met deze naam. Daar zijn heel wat restaurants. Voor de Filistijnen een aanlokkelijk vooruitzicht!

Restaurantje in Emek Refa'im straat Jeruzalem

David daalt af naar een vesting, die in die richting ligt. Nu is hijzelf veilig, maar het land is nog wel bezet. Hij gaat niet op zijn eigen inzicht af, maar vraagt de Heere: “Zal ik optrekken”. Vast door de orakelstenen Urim en tummim. Het antwoord is “Ja”. Het wordt een grote overwinning. “Want met U ren ik door een legerbende, met mijn God spring ik over een muur”, zong David later. Ik denk altijd dat dat laatste een militaire uitdrukking was voor “door een linie breken`, maar ik heb nog geen vertaling gevonden die dat ook zo ziet. Vanwege de doorbraak die was geforceerd noemt hij de plaats “Bruchhausen”. Als hij een Duitser was geweest dan. Omdat hij Israëliet is, noemt hij hem Baal-Perazim, wat ongeveer hetzelfde betekent.

De Filistijnen lieten hun afgoden achter, net als de Israëlieten eerder de ark. David en zijn mannen namen ze mee als trofee. Daar hebben ze geen nadelige gevolgen van ondervonden, in tegenstelling tot de Filistijnen toen ze de ark meenamen. Volgens 1 Kronieken over dezelfde gebeurtenis, hebben ze die beelden verbrand.

Maar de Filistijnen weten zich te herstellen en rukken weer op. Wat ligt er meer voor de hand dan om hetzelfde te doen als de eerste keer?! Toch doet David het niet. Hij vraagt weer de Heere om raad. Nu is het advies heel anders. Het moet via een profeet zijn gekomen. Te specifiek voor Urim en Tummim. Hij moet omtrekken en wachten op het geluid van marcherende voetstappen in de moerbeibomen. Het geluid van de Heere, die voor hem uitgaat! David doet wat wordt gezegd en weet de Filistijnen definitief uit dit gebied te verdrijven.

Misschien is dit de verklaring dat de pizzeria in de Emek Refaim straat, waar we verschillende keren hadden gegeten, de vorige keer was verhuisd naar een locatie dichterbij de Stad van David. Van de Filistijnen hebben ze geen klandizie meer te verwachten.

De Ark naar Jeruzalem

Parade

Nu regeert David veilig in Jeruzalem. Een ideale plaats om Israël te besturen. Precies op de grens tussen de stammen Juda en Benjamin. Wel jammer dat Jeruzalem niet ook een religieus centrum is. Er is geen traditie zoals in Gilgal, Silo, Bethel. Dan denkt David aan de Ark van het Verbond. Vroeger trok het leger uit met de ark voorop. De Heere ging voor en Israël won altijd. Maar sinds de ark ooit door de Filistijnen is buitgemaakt, heeft hij zijn glans voor de meeste Israëlieten verloren.

Er is nog iets wat David dwars zit. Dat ze die Filistijnse afgodsbeelden hebben verbrand, was wel een goede actie. Alleen hadden ze nu niets om in triomf naar de hoofdstad te brengen. Dat valt nog goed te maken met de ark. Daarom roept hij de strijdbare mannen weer op om in een militaire parade de ark naar Jeruzalem te voeren. Dat zal die verloren glans wel weer oppoetsen.

De ark laat hij zetten op een nieuwe ossenwagen. Dat had bij de Filistijnen ook prima gewerkt. Vroeger moest hij door Levieten worden gedragen, maar dat was vroeger. Vroeger moesten ook speciale Levieten op de sjofar blazen en anderen juichen. Dat was te kaal voor deze parade! Het volk mag van alles laten klinken. Harpen, luiten, tamboerijnen, rinkelbellen en cimbalen. Een ratjetoe aan instrumenten en een kakofonie van geluiden. Het lijkt een uitbundige carnavalsoptocht. Het was een wonder van Gods genade dat het nog een tijd goed ging. Maar dan gaat het ook goed fout! Op een moment laten de ossen de ark vallen, staat er letterlijk. Bij het klimmen naar de hoge dorsvloer, glijdt hij van de mooie nieuwe wagen en dreigt op de grond te vallen. Als hij door Levieten was gedragen, had dit natuurlijk nooit kunnen gebeuren. Uzza, die de ark begeleid, steekt zijn hand uit. Met de beste bedoelingen uiteraard. Net als de Duitse soldaten die een stroomstoring wilden verhelpen. Als bezetter hadden ze de sleutel van het falende transformatorhuisje. Het resultaat was hetzelfde als bij Uzza. Zelfs de Levieten mochten de ark niet aanraken. Ze droegen hem met draagbomen. Het is zeer de vraag of Uzza een Leviet was.

Doorbraak

David wordt heel boos. Op wie? Vooral op zichzelf! Nu krijgt hij heilig ontzag voor de Heere. Tot nu toe was David het hoofd geweest van de operatie. Nu was de God de machtigste. Eerder leek Hij afwezig, nu was Hij was doorgebroken. Helaas op Uzza. Daarom noemt David de plaats Perez-Uzza, de Doorbraak van Uzza. (Ik vertaal vers 8 dus anders dan de HSV of NBV. Heel letterlijk: “En David ontstak (in woede) vanwege dat de Heere een doorbraak had doorgebroken in/tegen Uzza”. Zo staat het ook ongeveer in de Naardense Vertaling.) Dat is in dit verhaal de tweede plaats die naar een doorbraak is genoemd.

Nu zoekt hij voor de ark de dichtstbijzijnde Leviet op. Ene Obed Edom uit de Levietenstad Gat-Rimmon. Pas als blijkt de deze man gezegend wordt, durft David de ark verder te brengen. Het lag dus niet aan het verplaatsen naar Jeruzalem, maar aan de manier waarop.

Processie

Nu geen militaire parade, geen ossenwagen, geen ratels en rinkelbellen. De afdeling Levieten die de ark moeten dragen, dragen de ark. De Levieten die sjofar moeten blazen, blazen de sjofar. En David brengt offers nadat het zes passen goed was gegaan. Heel voorzichtig. “Dank U dat het toch kan!

Moderne "Levieten"

Nu is David ontzettend blij en opgelucht. Hij schrijdt ook niet als koning voorop, maar is eenvoudig gekleed. Solidair met de priesterstand, die hij de vorige keer heeft achtergesteld, draagt hij een linnen priesterhemd. Hij huppelt als een kind. Hij danst, hij springt, hij draait pirouettes.

David Danced Before the Lord with All His Might, James Tissot. Bron: Wikimedia Commons

Als de ark op zijn plaats staat, gaat hij iedereen bedanken en mee laten delen in de vreugde. Eerst de Heere God. Hij brengt twee soorten offers. Brandoffers – dit dier moet sterven in plaats van alle andere Uzza’s die in leven zijn gebleven. Vredeoffers – nu het goed is tussen God en ons, kunnen we samen maaltijd houden.

Dan het volk. God is bij de mensen gaan wonen. Daarom krijgt iedereen een kerstpakketje mee naar huis, met als inhoud luxebroodjes, dadels en rozijnen. Zowel mannen als vrouwen. Echt bijzonder, in een tijd waarin mannen en vrouwen vaak verschillende goden hadden. Waarin ook de man werd gezien als het hoofd en vertegenwoordiger van het gezin. Deze God is er voor ieder individu!

Kinderen

Tenslotte zijn vrouwen en kinderen. Enthousiast loopt hij naar zijn paleis. Maar dan komt de koude douche! Michal, zijn eerste vrouw, heeft hem vanuit het venster zien huppelen en ze is niet blij! Dit gedrag voor een koning! Zo is ze het van huis uit niet gewend! Ze komt hem tegemoet. Dan moet ze wel erg verontwaardigd zijn geweest.

Michal kijkt uit het raam. James Tissot

Vaak als in de Bijbel een man een vrouw van repliek dient, is er een aspect dat hij zich niet in kan leven in haar gevoelens, maar deze gevoelens deugen echt niet! David wil zich best als koning gedragen, maar hij heeft geleerd dat je tegenover God alleen kind kunt zijn. Of niet meer dan slaaf of slavin.

Michal heeft geen kind gekregen. “De dochter van Saul”, staat er steeds. Hiermee vergaat de laatste kans op regeren door nageslacht van de koning die zichzelf en zijn dynastie te belangrijk vond om Gods wil te doen. De toekomst ligt bij de degene die ervoor heeft gekozen om voor God een kind te zijn.

Een voorbeeld voor iedereen met een positie. Zeker als dat een geestelijke positie is.

 Lukas 14:11 Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

Lukas 18:17 Voorwaar zeg Ik u: Wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal daarin beslist niet binnengaan.

Feest in Jeruzalem

Het gebed van Zacharias

Zacharias gaat staan achter het reukofferaltaar. Alleen, in de heilige hal van de tempel. Uit een vuurpan giet hij gloeiende kolen op het altaar. Hij schikt ze netjes tot een mooi rond hoopje vuur. Dan pakt hij een zakje en strooit er korrels op. De tempel wordt gevuld met de karakteristieke geur die alleen het reukoffer heeft. Zacharias had er weleens een vleug van opgevangen, maar nu staat hij vol in de wolk. Als een toevallige gast, die mag meegenieten van wat bestemd is voor God. Hij bidt.

Mijn beê, met opgeheven handen,
Klimm’ voor Uw heilig aangezicht,
Als reukwerk, voor U toegericht,
Als offers, die des avonds branden
.

Zo had zijn vader deze Psalm 141 gebeden en ook zijn grootvader. Een lange lijst van voorouders. Minstens tot vader Azarja, in de tijd toen Ezra en Nehemia de tempeldienst opnieuw regelden. Misschien nog veel langer. Had David dit gebed voor het reukoffer speciaal voor hogepriester Zadok gemaakt? Of had David opgeschreven wat al sinds Aaron werd gebeden?

Net als zijn vaderen was Zacharias begonnen met het eerste vers.

‘k Roep, HEER, in angst tot U gevloden,
Ai, haast U tot mijn hulp en red;
Hoor naar de stem van mijn gebed,
Daar ik U aanroep in mijn noden.

Hij had gedacht aan zijn eigen noden. Daar nodigt deze psalm toe uit. Zijn kinderloosheid. Voor hem en zijn vrouw Elisabeth het grote verdriet.

Uit een jarenlange gewoonte bracht hij dit in gebed. ‘Haast U tot mijn hulp’, had hij thuis altijd gebeden. Nu, op zijn meest bijzondere moment, bad hij hetzelfde, al had hij geen enkele hoop meer. ‘Het ging haar niet meer naar de wijze der vrouwen’, klonk de Schrift in hem door.

Zet, HEER, een wacht voor mijne lippen;
Behoed de deuren van mijn mond,
Opdat ik mij, tot genen stond,
Iets onbedachtzaams laat’ ontglippen.

Natuurlijk bad hij dit in het oud-Hebreeuws. Dat klonk voor hem en zijn tijdgenoten ongeveer zoals voor ons een oude psalmberijming. Vertrouwd en verouderd. Verheven taal met geheimen.

D’ oprechte sla mij zonder vrezen,
Ik reken zulks weldadigheid…

De rook wordt langzaam minder dicht. Plotseling ziet hij in de nevel een man, vlak bij hem, rechts naast het altaar. Hij weet niet wat hij er van moet denken. Heeft hij kwade bedoelingen? ‘Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elizabeth zal u een zoon baren en u zult hem de naam Johannes geven’, hoort hij de man zeggen. Deze vervolgt zijn boodschap en vertelt wat voor iemand die zoon zal zijn en wat hij gaat doen.

Eerst is Zacharias verbouwereerd, maar al snel raakt hij verontwaardigd. Hij, Zacharias van de afdeling van Abia, is de enige die hier in het Heilige van de tempel hoort te zijn! Wie is deze figuur om hier te staan en om dit soort dingen te beweren? Des te langer de man spreekt, des te meer neemt Zacharias’ scepsis toe. Ik een zoon krijgen? Een profeet zelfs? Iemand als Elia notabene! Deze fantast moet direct uit de tempel gezet worden! Toch weerhoudt iets in deze vreemdeling hem om de daad bij het woord te voegen. Als de man is uitgesproken, brengt hij alleen uit: ‘Hoe zal ik dat weten? Want ik ben oud en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen.’

Zacharias laat Jeruzalem en de tempel achter zich. Op weg naar huis. Hij kan geen woord zeggen, maar van binnen juicht hij! Hij begint zelfs te lachen. ‘Het gebed is verhoord! De HEER heeft een wacht voor mijn lippen gezet. De Oprechte heeft mij geslagen. Dan zal Hij alles laten gebeuren, zoals gezegd is!’

Dit stukje is eerder verschenen in het Protestants Kerkblad Delft in de adventstijd van 2018

Kees Visser

De Promotie van Jezus

Marcus 11  en Marcus 12

Jezus’ bevoegdheid

Jezus deed zijn intocht in Jeruzalem als de lang beloofde Koning. Hij bracht de stad in opschudding. Hij stuurde ook de verkopers weg uit de tempel (Marcus 11:15). Nu komen de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten naar Hem toe met de vragen: “Met welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven om deze dingen te doen?”

In de tijd van Jezus werd je niet zomaar Rabbi. Daar moest je toe benoemd worden. Dat gebeurde dan door handoplegging, nadat de kandidaat door verschillende Rabbi’s was ondervraagd. Net zoiets als wanneer iemand nu op een universiteit promoveert tot doctor. Daarna had de rabbi geestelijk gezag.

Jezus kan hierop het echte antwoord niet geven, namelijk dat hij door Zijn Hemelse Vader tot Messias is aangesteld. Dat hadden ze zeker niet aangenomen. Daarom komt Hij met de vergelijking met de doop van Johannes. Daarvoor geldt immers hetzelfde. Ook Johannes de Doper was niet officieel door hen aangesteld.

De slechte landbouwers

Vervolgens vertelt Jezus de gelijkenis van de slechte landbouwers (12:1-12). Zonder het rechtsreeks te zeggen, geeft Hij zijn tegenstanders wel een paar schokkende zaken te concluderen.

    1. Jezus is de Zoon van God.
    2. Zijn opponenten, de huidige leiders zullen er zelfs toe komen om Hem te doden
    3. God zal de huidige leiders het gezag ontnemen.

Ze hebben direct begrepen dat Hij met de wijngaard verwees naar Jesaja 5.

Drie vragen

Dan komen er drie vragen op Jezus af. Drie vragen, onafhankelijk door verschillende mensen gesteld. Het waren niet zomaar vragen, maar dé strijdpunten van die tijd.

Jezus weet op alle drie vanuit een volkomen nieuwe invalshoek een afdoend antwoord gegeven! Een bewijs van Goddelijke genialiteit!

Wij zijn aan deze passages gewend en verbazen ons er niet zo meer over. Om te zien hoe bijzonder de antwoorden van Jezus waren, moet je inleven in Zijn tijd. Per vraag zijn ze hier uitgewerkt.

Er zit een duidelijke progressie in de intentie achter de vragen. De eerste was bedoeld om Jezus te laten arresteren, de tweede alleen om zijn ideeën belachelijk te maken en de derde om hem te bevragen over een belangrijk punt. Van uiterst negatief tot positief dus.

Toen durfde niemand hem meer iets te vragen (:34). Dat is raar! Zo’n geniale rabbi zou je alles willen vragen! Op het gebied van bijbeluitleg en voor persoonlijke zaken. Dat gebeurt nu nog in orthodox Joodse kringen. Hieruit blijkt de vijandige, bevooroordeelde houding van de Joodse leiders toen.

Er is nog een reden waarom ze verder niets vroegen. Ze liepen nu namelijk een groot risico.

Na de zin: “Niemand durfde Hem meer iets te vragen” staat er “en Jezus antwoordde”. Dat lijkt vreemd Er was toch juist geen vraag! Het Griekse woord apokrinomai heeft een ruimere betekenis: “reageren”. Dat kan door een antwoord te geven of op een andere manier.  Hij reageerde dus op het feit dat niemand hem iets durfde vragen. Dat is de vraag over de Messias, de Zoon van David.

Christus, Zoon van David

En Jezus antwoordde en zei, terwijl Hij onderwijs gaf in de tempel: Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Christus een Zoon van David is? Want David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tegen mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten. David noemt Hem dus zelf zijn Heere en hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? (Markus 12:35-37)

Vroeger begreep ik niets van dit gedeelte. Ik las “hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn?” als een retorische vraag. Probeerde Jezus nou onderuit te halen dat de Messias de zoon van David is? Helemaal niet! Het is geen retorische vraag, maar een ondervraging, zoals bij een universitaire promotie.

We weten uit de Talmoed dat de kandidaat-rabbi ondervraagd werd op vier categorieën.

    1. Een praktische uitwerking van de wet (Chokma, halacha)
    2. Over bijbeluitleg. (Haggadah)
    3. Een vraag waarin een standpunt van de Rabbi belachelijk wordt gemaakt. (Boruth)
    4. Principes waaruit je moet leven. (Derech ‘eretz)

Zonder dat ze er enigszins op uitwaren, was Jezus nu ondervraagd op categorieën 1, 3 en 4. En dat niet op vergezochte punten, maar op de vragen van die tijd. 1 – de belastingpenning, 3 – de opstanding, 4 – het grootste gebod. Nu durfden ze Hem niet meer te vragen. Als hij nog één goed antwoord gaf over bijbeluitleg, hadden ze hem zelf tot Rabbi moeten promoveren. Dat risico wilden ze niet lopen.

Daarom komt Jezus zelf met een vraag uit deze categorie.  Daarop weten zelfs zijn geleerde opponenten het antwoord niet. Hij wel! De Messias is zowel de zoon van David als de Zoon van God.

Hiermee geeft Jezus en passant antwoord op de vragen aan het begin van het gedeelte. Met welke bevoegdheid? De bevoegdheid als Messias, de zoon van David! En wie heeft de bevoegdheid gegeven? God zelf!

Gepromoveerd!

En bovendien hadden zijn opponenten Jezus dus volgens hun eigen regels, op grond van de vier antwoorden, moeten promoveren tot Rabbi. Summa Cum Laude!

Met dank aan David T. Owen-Ball voor zijn artikel Rabbinic Rhetoric and the Tribute Passage (Mt. 22:15-22; Mk. 12:13-17; Lk. 20:20-26) in het tijdschrift Novum Testamentum.

De Ark van Mozes

Het verhaal in Exodus 2 gaat over een anonieme man met een anonieme vrouw. Hun namen zijn pas veel later bekend geworden. Slaven waren ze, geknecht door een ander volk. De vrouw werd zwanger. Hun eigenaar, de tirannieke Farao van Egypte, vond de aanwas van zijn slaven bedreigend. Daarom had hij bevolen dat alle jongetjes die geboren werden gedood moesten worden. Populatiebeheersing, zoals wij dat doen bij herten en zwijnen in natuurgebieden. Meisjes deden er voor hem niet toe. Bij de geboorte bleek het een jongetje te zijn!

De vrouw zag dat het goed was, staat er. Ze keek naar dit kind met een vreugde die gelijk was aan hoe God heeft gekeken naar zijn schepping. Alles om haar heen was niet goed door de slechtheid van de mensen, maar dit kind was goed. Daar moest God een bedoeling mee hebben! Dit kon niet geboren zijn om direct gedood te worden. Ze waagde het erop om het in leven te houden. Dan maar ongehoorzaam aan de overheid, met risico op zware straf. Ze verborg het drie maanden. Toen zal het wel te luidruchtig zijn geworden.

De Ark

Wat moest ze nu doen? Een toestand zo erg als deze was nog nooit voorgekomen. Haar moeder kon haar niet helpen. Haar grootmoeder, als die nog leefde ook niet. Het enige wat ze had voor raad waren de Woorden over God. De geschiedenis van hun voorouders, die een bijzondere band hadden met één heel bijzondere God. Over Jacob, Izaäk, Abraham, Noach. Doorverteld van moeder op dochter. Veel volksgenoten hoorden deze verhalen aan als sprookjes. Fantasie, bedacht om hun, die door de goden bestemd waren tot slaven, nog enige eigenwaarde te geven. Deze vrouw geloofde ze wel! Zij dacht: Ons hele volk wordt vernietigd door het water, net als bij de zondvloed. Toen kwam de tekst naar boven:

Maak voor uzelf een ark van goferhout. In vakken ingedeeld moet u deze ark maken en hem van binnen en van buiten met pek bestrijken. (Gen 6:14).

Dat moet ik doen! Een arkje maken!

Maar toen zij hem niet langer kon verbergen, nam zij voor hem een arkje van papyrus en bestreek het met asfalt en pek.

Dat die teksten zo op elkaar lijken, kan geen toeval zijn! Het woord dat meestal wordt vertaald met “mandje” of “kistje” wordt verder alleen gebruikt voor de ark van Noach. – Zij legde het kind daarin en zette het tussen het riet aan de oever van de Nijl. En nu afwachten. Zou het arkje wegdrijven als het water gaat stijgen, net als de ark van Noach? Of zou het in het riet blijven? Zelf durfde ze niet te kijken. Ook wilde ze niet ontdekt worden. Daarom had ze haar dochtertje in de buurt laten staan. “Kijk jij nu wat er verder gebeurt”.

De Redding

Uiteindelijk gebeurde er het beste wat kon gebeuren, alleen leek het daar in het begin helemaal niet op! Een dochter van de grote tiran en slavenbezitter kwam langs. Wonderlijk genoeg negeerde zij het bevel van haar vader. Haar medelijden werd namelijk opgewekt door het huilende baby’tje. Ze wilde het kindje zelf houden. Gelukkig stond ze boven de wet, zoals alle familie van despoten.

Toen deed Mirjam, de zus van de baby, een fantastische zet. Wat een bijdehante meid! Alleen meiden kunnen, denk ik, zo zijn. Als ze de oudere broer Aaron hadden ingezet, was er vast niets van Mozes terechtgekomen. “Zal ik voor u een voedster uit de Hebreeuwse vrouwen gaan roepen”?

Het was ondenkbaar dat een Egyptische vrouw een kind van slaven zou gaan zogen, dus het idee van een Hebreeuwse min was heel logisch. Het eindigde ermee dat de moeder nog geld kreeg ook voor het zogen van haar eigen kind! Dat is humor van God.

Geloof

Dus de combinatie van een gelovige moeder, die haar geloof in daden omzette, een prinses met medelijden en een bijdehand meisje hebben Mozes gered. Drie vrouwen. En dan te bedenken dat de Farao dacht dat het geen kwaad kon om de vrouwen te laten leven!

Uitsluitend door haar geloof is de slavenvrouw uit de anonimiteit gekomen en bekend geworden als Jochebed de moeder van Mozes, de belangrijkste man uit het Eerste Testament.

De Prinses

Wat was die moeder blij dat ze haar kind voorlopig terug had en dat hem een toekomst wachtte aan het koninklijke hof! De prinses was minstens even blij. Kinderloos als ze was, had ze zich elke maand gereinigd in de Nijl om zo van Hapy, de God van de Nijl, vruchtbaarheid af te smeken. Bij wie anders moest ze zijn, dan bij de godheid die het hele land vruchtbaar maakte?! Nu had hij haar een kind gegeven. Een kind van de Nijl, van Hapy zelf! O Hapy Day, zong ze luid. Uiteraard de Egyptische versie van dit lied.

Lawrence Alma Tadema - The Finding of Moses

Met dank aan Lukas de Groote voor enkele ideeën die in dit verhaal verwerkt zijn.

Jezus en de Belasting – een geniaal antwoord

Wat zou jij doen als je een vraag kreeg waarop je, afhankelijk van je antwoord, ofwel gearresteerd zou worden, ofwel je gezag zou verliezen?

Markus 12:13-17 En zij stuurden enigen van de Farizeeën en van de Herodianen naar Hem toe om Hem op een woord te vangen. Dezen nu kwamen en zeiden tegen Hem: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en Zich door niemand laat beïnvloeden; want U ziet de persoon van de mensen niet aan, maar U onderwijst de weg van God in waarheid. Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Moeten wij betalen of niet betalen? Daar Hij echter hun huichelarij kende, zei Hij tegen hen: Waarom verzoekt u Mij? Breng Mij een penning, opdat Ik hem bekijk. En zij brachten er een. En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift? En zij zeiden tegen Hem: Van de keizer. Toen antwoordde Jezus hun: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is. En zij verwonderden zich over Hem.

De strikvraag

De vraag of het geoorloofd was om aan de Romeinen belasting te betalen was hét grote praktische strijdpunt van die tijd. Belasting aan een bezettende mogendheid wekt altijd weerstand op. Voor de gelovige Joden uit die tijd was de manier waarop de Romeinse munten uitgevoerd waren nog een veel groter struikelblok. De beeltenis van de keizer stond er namelijk op. Dit in tegenspraak met het gebod om geen afbeeldingen te maken. In het randschrift werd hij bovendien vergoddelijkt. Als je een dergelijk munt gebruikte, erkende en diende je daarmee andere goden.

Denarius. De tekst luidt: Tiberius Caesar, Zoon van de Goddelijke Augustus

Vanwege die belasting zijn er verschillende opstanden geweest, die bloedig waren neergeslagen. Velen hadden de pragmatische keuze gemaakt om toch maar te betalen, ondanks dat het zonde was. Anders zouden ze allemaal gevangengezet of gedood worden. Dan bleven er geen gelovige Joden meer over.

Het is doortrapt van de Farizeeën dat ze naast hun leerlingen ook Herodianen naar Jezus sturen. Zo komt Jezus altijd klem te zitten. De inleiding op hun strikvraag zet dit dilemma op scherp:
“Meester, wij weten dat U waarachtig bent en Zich door niemand laat beïnvloeden; want U ziet de persoon van de mensen niet aan, maar U onderwijst de weg van God in waarheid.

En dan de vraag:

“Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Moeten wij betalen of niet betalen?”
Als Jezus “Nee” zegt, roept hij op tot belastingontduiking en zal hij door de Herodianen gearresteerd worden.
Zegt Hij toch “Ja”, dan blijkt dus dat Hij helemaal niet die principiële en niet te beïnvloeden leraar is waar het volk hem voor houdt. Dan verliest Hij Zijn gezag.

De vleiende inleiding is een grote stimulans voor Jezus om “Nee” te zeggen en dus gearresteerd te worden.

Het antwoord

Wat kan Jezus nu nog doen? Hij komt met een onverwachte, maar eenvoudige, vraag.

“Breng Mij een penning, opdat Ik hem bekijk. En zij brachten er een. En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift? En zij zeiden tegen Hem: Van de keizer. Toen antwoordde Jezus hun: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.” Dat laatste zal Jezus wel met veel nadruk gesproken hebben. Daar hadden ze niet om gevraagd!

En zij verwonderden zich over Hem;
en zij verlieten Hem en gingen weg
, heeft Mattheus erbij geschreven.

De Herodianen zijn tevreden gesteld. Geen arrestatie vandaag. Deze man spoort de Joden aan om netjes hun belasting te betalen. Tot op vandaag denken velen dat dit de bedoeling van Jezus antwoord was. Betaal je belasting aan de staat, geef je collecte in de kerk en iedereen is tevreden.

Het beeld en het opschrift van God

De Farizeeën hebben een andere reactie. Zij verwachten van een rabbi een antwoord uit de Schrift, liefst uit de vijf boeken van Mozes. Ze weten ook dat Jezus compacte, cryptische, antwoorden geeft.

“Het beeld en het opschrift. Van de keizer en van God”. Wat is het beeld van God? Bijbelgetrouw als ze zijn, denken ze direct aan Gen 1:27. En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem.Wij zijn zelf het beeld van God! We moeten onszelf aan God teruggeven door ons leven in Zijn dienst te stellen. Hij heeft recht op ons!

En dan het opschrift van God. Wat Jezus hiermee bedoelde is voor ons lastiger om achter te komen. Voor de Farizeeën was het helemaal niet moeilijk. Ze zagen het voor hun ogen! Gods naam stond namelijk op hun voorhoofden. En wel op de tefillin, de gebedsriemen, die ze hadden.

Tefillin

Tegenwoordig hebben orthodoxe Joden deze tefillin alleen om wanneer ze bidden. Vandaar dat ze nu “gebedsriemen” heten. In de tijd van Jezus hadden Farizeeën ze altijd om. Misschien Jezus zelf ook. Het gaat niet om de riemen op zich, maar om de lederen capsules met Bijbelteksten die daarmee worden vastgebonden. Eén op het hoofd – tussen de ogen – en één op de hand. Dit in gehoorzaamheid aan o.m. Deut. 6:8: U moet de woorden die Ik u gebied als een teken op uw hand binden en ze moeten als een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn.

Zo worden tefillin nu gedragen

In die tijd waren de meeste ongeveer 1×2 cm groot. Dat weten we, doordat er tientallen gevonden zijn in grotten bij de Dode Zee, tussen de Dode Zeerollen. Binnen de lederen capsule zitten vier Bijbelgedeelten, geschreven op strookjes heel fijn perkament. Die zijn opgerold in compartimentjes genaaid. De groeven van die compartimentjes vormen de Hebreeuwse letter Shin, een soort W. Deze Shin staat volgens de traditie voor Shaddai, de Almachtige. Die gedachte vinden we ook in Openbaring 22:4 – Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.

Tegenwoordig knoopt men het doosje ook zo vast dat deze knoop de letter Dalet vormt. De knoop van de tefillin op de hand vormt de letter Jod. Samen maken ze het woord: Shaddai – de Almachtige. Echt een randschrift dus! “Zodat alle volken zien dat de naam van de Heere over u is uitgeroepen”.

We hebben er geen bewijs van dat ze in Jezus’ tijd ook al zo werden geknoopt, maar het zou zonder meer kunnen.

Een paar voorbeelden van Joodse gewoonten die al uit deze tijd stammen.

Hoofd Tefillin uit de tijd van Jezus in opgevouwen toestand.
Opengevouwen tefillin

De boodschap van het Opschrift van God is dus hetzelfde als van het Beeld van God: Ons lichaam is van God! Dat horen we in Zijn dienst te stellen.

Ook de inhoud van de teksten duidt hierop. Op één van de vier staat: “Luister, Israël! De HEERE, onze God, de HEERE is één! Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.”

Eén van de strookjes Bijbeltekst opengemaakt.

De strekking van het geheel

De strekking van Jezus antwoord is dus niet “Betaal braaf je belasting”, maar “Die hele belastingkwestie, waar iedereen zich zo druk over maakt, is helemaal niet belangrijk in vergelijking met de kwestie dat je jezelf aan God moet geven!”

Ik ben ervan overtuigd dat als Jezus niets anders gedaan en gezegd zou hebben dan deze ene uitspraak, dan was hij beroemd geworden. Misschien wel tot in deze tijd.

Uit het antwoord van Jezus blijkt Zijn Joods zijn en zijn genialiteit. Aangezien niemand anders hierop is gekomen, dringt de vraag zich op: Wie is Deze?

Voor wie Jezus serieus neemt, ligt er de vraag: “Hoe geef ik mezelf aan God?”

Lees ook de “Making-of” van dit artikel

Tamar, een heilige vrouw?

Het verhaal van Juda en Tamar uit Genesis 38 lijkt op het eerste gezicht een sensationeel, op zichzelf staand, verhaal dat alleen in de geschiedenis van Jozef is geplakt omdat het in die tijd heeft gespeeld. Door in te leven in de situatie wordt duidelijk dat dit hoofdstuk essentieel is om het vervolg van wat er gebeurde bij Jozef te begrijpen.

Juda

Juda ging bij zijn broers vandaan. Wat zat daar achter? Ruben was de oudste. Hij had van nature de verantwoordelijkheid over de jongere kinderen. Juda was het vierde kind van zijn moeder Lea en bleef lang de jongste. Het jongste kind uit een gezin is meestal onbezorgd en creatief. Later kreeg hij nog twee broertjes en een zusje. Middelste kinderen leren vanzelf om anderen in te schakelen, niet zozeer om leiding te geven. Juda was ook een kind van het loslaten. Toen hij geboren werd kon zijn moeder haar problemen opzij zetten en zeggen: nu zal ik de Heere loven. Niets lijkt hem dus te bestemmen tot verantwoordelijkheid. Toch zegt Jacob op zijn sterfbed: Juda, gij zijt het! Ruben heeft zich als verantwoordelijke oudste gediskwalificeerd doordat hij met zijn vaders bijvrouw naar bed is gegaan. Simeon en Levi hebben Sichem uitgemoord. Nu benoemt Jacob de onbezorgde Godlover tot familiehoofd. Hoewel we dit in Genesis pas expliciet horen bij het sterven van Jacob, moet het voor de broers al lang duidelijk zijn geweest.

Ondertussen heeft Juda de grootste moeite met zijn nieuwe rol. In het vorige hoofdstuk, de verkoop Jozef, zien we dat Ruben zich verantwoordelijk voelt, maar hij heeft bij zijn broers geen gezag. Daarom probeert hij stiekem Jozef te bevrijden. Juda neemt ondertussen het initiatief om Jozef naar Egypte te verkopen. Hij voelt geen verantwoordelijkheid voor Jozef of voor het welzijn van zijn vader. Zo dwarsboomt hij de bedoeling van Ruben. Het is een lastige situatie met die botsende verantwoordelijkheden. Nu loopt Juda daarvan weg.

Juda gaat dus bij zijn broers vandaan en trekt op met een Kanaäniet, Hira. Letterlijk staat er: Hij daalde af van zijn broers en hij boog af naar een man van Adullam. Hebron ligt inderdaad hoger dan Adullam, maar de tekst geeft ook een hint. Het leven van Juda werd laag en krom. Hij vindt ook een Kanaänitische vrouw. Izak en Rebecca haatten het toen Esau Kanaänitische vrouwen nam. Haar naam wordt niet genoemd. Er kan de naam van een afgod in hebben gezeten. Niet geschikt om uit te spreken in tempel of synagoge.

Tamar

Juda krijgt bij haar drie zonen. Voor de oudste vindt hij een vrouw, Tamar. Er staat dat Er slecht was in de ogen van de Heere en dat hij hem daarom doodde. Details ontbreken. Misschien maar gelukkig. Volgens de regels van het zwagerhuwelijk geeft Juda haar aan zijn tweede zoon. Het eerste kind zou dan als zoon van Er gelden. Onan gunt zijn overleden broer geen nagelacht en geen erfenis. Die krijgt hij liever zelf. Hij lijkt te doen wat zijn vader hem vraagt, maar hij ontduikt het met de middelen tot zwangerschapspreventie die toen beschikbaar waren. De Heere doodt ook hem. Hier is het in ieder geval duidelijk wat de reden was.

Was Juda gaan denken dat Tamar ongeluk bracht, of verwachtte hij dat Sela hetzelfde zou doen als Onan en dan hetzelfde lot zou ondergaan? Zo vader, zo zonen. Geen verantwoordelijkheid voor familie. In ieder geval stuurt hij haar naar haar ouders terug. Als ze na jaren ziet dat Juda niet van plan is om haar aan Sela te geven, komt ze tot een onconventionele daad.

De actie van Tamar kon alleen werken als ze wist dat Juda regelmatig prostituees bezocht. Het schijnt gebruikelijk te zijn dat publieke vrouwen gesluierd waren, dus ze hoefde niet bang te zijn voor herkenning. Hoe werkt een onderpand? Zoiets is nodig als mensen elkaar niet vertrouwen. Maar als het onderpand meer waard is dan de uiteindelijke prijs, kan de ontvanger ermee vandoor gaan. Is het minder waard, dan kan de gever het er bij laten zitten. De truc is, om iets te vinden dat voor de gever meer waard is dan voor de ontvanger. Hier is dat zeker het geval. Een zegel was een rolletje met een persoonlijk logo, of een persoonlijke tekst. Je kon er een afdruk mee maken in klei of was. Dat fungeerde als handtekening. Het zegel werd soms aan een koord om de hals gehangen. Dus zegel en koorden zijn eigenlijk één voorwerp. Een staf was voorzien van persoonlijk houtsnijwerk. Zegel en staf waren toen net zoiets als een paspoort en rijbewijs nu. Het was best lichtzinnig van Juda om die aan een wildvreemde vrouw mee te geven. Al verwachtte hij ze natuurlijk weer terug te krijgen, omdat zij er toch niet veel aan had.

Van zegels als deze zijn er tienduizenden gevonden in het Midden Oosten. Ze zijn twee tot drie centimeter groot. Deze had als logo een sterke man die een leeuw te grazen neemt. Het kan best zijn dat Juda toen ook al een leeuw als logo had op zijn zegel.

Opkomen voor een ander

Het is ontroerend om te lezen hoe Tamar haar sluier aflegde en de kleren van haar weduwschap weer aantrok. Zij voelde zich nog steeds weduwe van haar overleden man. Ze was nog steeds trouw aan hem, ondanks hoe hij geweest mocht zijn. Dit contrasteert erg met Juda, die blijkbaar snel de dood van zijn vrouw van zich af kon zetten.

Tamar is altijd een voorbeeld geweest van iemand die voor haar eigen recht opkwam. In de zeventiende eeuw waren schilderijen van Juda en Tamar hier populair. Behalve dat het een aanleiding was om een liefdespaar te schilderen, zag men ook een parallel met Nederland! Dat was ook voor zijn eigen recht opgekomen door van Spanje af te scheiden.

 

Juda en Tamar. School van Rembrandt

Blijkbaar zag men eraan voorbij dat Tamar minstens evenveel opkwam voor de rechten van een ander! Ze zorgde ervoor dat de naam en het erfdeel van haar man bleven voortbestaan. Later, bij Ruth, komen we dit ook tegen. Als ze naar Boaz gaat om hem te vragen om losser te zijn, prijst hij haar: En hij zei: Gezegend bent u door de HEERE, mijn dochter! U hebt met deze laatste blijk van goedertierenheid van u de eerste nog overtroffen, doordat u geen jongemannen nagelopen bent, geen arme en geen rijke.

We hebben hier, in deze heel speciale omstandigheid, dus de paradoxale situatie dat iemand werkelijk haar trouw bewijst door de hoer te spelen!

Heilig

Juda heeft het gewoon over een hoer, maar als zijn Kanaänitische vriend Hira haar gaat zoeken, gebruikt hij een ander woord. Het is vreemd om dat in het Hebreeuws te lezen, want er staat קְדֵשָֽׁה K’desha, zoiets als heilige vrouw! Heilig betekent oorspronkelijk “toegewijd aan God”. In Kanaän waren er vrouwen die aan de vruchtbaarheidsgodin waren gewijd. Als een man met haar gemeenschap had, had hij ook gemeenschap met Astarte, of hoe die godin in die tijd ook heette. Deze vrouwen stonden in de heidense cultuur in aanzien. In Deuteronomium staat dat dergelijke praktijken de Heere een gruwel zijn. Andere normen en waarden!

Als Hira de vrouw niet kan vinden, besluit Juda gauw dat ze maar moeten stoppen met zoeken. Hij is bang dat ze te schande worden. Blijkbaar vond hij het uitlenen van zijn identiteitsbewijzen toch niet zo’n slimme zet.

Als Juda hoort dat Tamar zwanger is, wil hij haar nota bene laten verbranden! De ergste straf voor overspel was steniging. En dan voor de vrouw én de man (vastgelegd in de wet van Mozes)! Juda gunde het Tamar zelfs niet dat er een plaats was om over haar te rouwen. Was dit overcompensatie voor zijn eigen slechte geweten? Niettemin, in zijn buitensporige verontwaardiging en dubbele moraal, blijkt Juda toch de normen en waarden van de God van Israel in zijn geweten te hebben. Je kunt je niet voorstellen dat men in de Kanaänitische cultuur, waarin prostitutie heilig was verklaard, ermee zou zitten als een alleenstaande vrouw zwanger werd.

Tamar wordt de stad uitgebracht. Ze heeft nog een laatste wens – dat het zegel en de staf bij Juda worden bezorgd. Met de woorden: Van de man bij wie dit hoort, ben ik zwanger.

Identiteit

Toen Juda zijn zegel en zijn staf zag, moet dat een ontzettende schok zijn geweest. Hij had zijn eigen nageslacht ter dood veroordeeld! En in feite ook zijn eigen gedrag. Hij moest erkennen: Zij is rechtvaardiger dan ik.

Als we hierna over Juda lezen, komen we een heel andere Juda tegen. Hij is degene die zijn vader weet over te halen om Benjamin mee te laten gaan naar Egypte, doordat hij zich borg stelt. Voor de onderkoning van Egypte houdt Juda een betoog om hem te overtuigen dat het niet kan bestaan dat Benjamin in Egypte zou blijven. Dan wil hij zelf voor de rest van zijn leven slaaf zijn in plaats van Benjamin. Juda voelt zich nu helemaal verantwoordelijk voor zijn vader en voor zijn broer!

Het is geen vreemde veronderstelling dat de omslag in de houding van Juda heeft plaatsgevonden toen Tamar hem door zijn zegel en staf confronteerde met zijn eigen gedrag. Zij had immers wél de verantwoordelijkheid genomen. Voor haarzelf en voor het nageslacht en erfdeel van haar overleden man. Daarmee ook voor het nageslacht en erfdeel van Juda zelf. Ze was daarvoor tot het uiterste gegaan.

Er zit symboliek in het verlies en weer vinden van Juda’s bewijzen van identiteit. Hij verloor als het ware zijn identiteit aan een hoer en hij kreeg ze weer terug van de moeder van zijn kinderen. Hiermee was het uit met zijn lichtzinnig gedrag en begon hij zijn verantwoordelijkheid te nemen.

De eerste zal de laatste zijn

Tamar is zwanger van een tweeling. Alsof God haar extra zegende. Juda krijgt zo ook weer twee zonen in de plaats van de twee die overleden zijn. De bevalling is merkwaardig. Eerst is er een handje, waar de vroedvrouw een rode draad aan bindt. Zijn broertje komt hem voor. Daarom wordt hij Perez, doorbraak, genoemd. Hij geldt later toch als de eerstgeborene. Daarna komt het kindje met het rode draadje ter wereld. Zijn naam wordt Zera, zonsopkomst.

We zien dit steeds terug. Kaïn en Abel, Ismaël en Izak, Jacob en Ezau. Het lijkt of God juist niet kiest wat bij mensen de eerste is. De eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten. Ook bij David natuurlijk.

Ruth

We hebben het boek Ruth al eerder aangehaald. Daar zeggen de mensen tegen Boaz

Ruth 4:12 En moge uw huis worden als het huis van Perez, die Tamar aan Juda baarde, door het nageslacht dat de HEERE u uit deze jonge vrouw geven zal.

Het boek eindigt als volgt

Dit nu zijn de afstammelingen van Perez: Perez verwekte Hezron,
Hezron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab,
Amminadab verwekte Nahesson, Nahesson verwekte Salma,
Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed,
Obed verwekte Isaï, en Isaï verwekte David.

We zien hier dat het “mooie” boek Ruth zichzelf presenteert als het vervolg op het “rauwe” verhaal van Juda en Tamar. Het pakt het geslachtsregister op waar het eerste is geëindigd.

We zien ook dat het verantwoordelijkheidsgevoel voor de familie is gebleven gedurende de geslachten. Boaz wilde graag meehelpen aan het voortzetten van het geslacht van zijn overleden neef. Zo is hij de voorvader geworden van David. En David is de voorvader geworden van de Messias.

Dit alles is aan de gang gezet door Tamar, die haar reputatie en haar leven op het spel zette voor het geslacht van Juda. Dan is de term “heilige vrouw” toch niet zo vreemd!

Delft
Kees Visser

Het raadsel van Kana

Johannes 1:1-12

Net discipel van Jezus en nu al gast op de bruiloft van een familielid. Vreemd? Helemaal niet! Elke goede rabbi nam zijn leerlingen mee naar zijn privézaken. Zo konden ze leren hoe hij reageerde in alle omstandigheden. Hij had ze laten kennismaken met zijn moeder Maria, een vrouw waarvan je kon merken dat ze veel meer wist dan dat ze sprak.

Terwijl ze gezellig met elkaar zaten te praten, kwam ineens Maria op Jezus af. “Ze hebben geen wijn meer” fluisterde ze, toch hard genoeg dat de discipelen het hoorden. Wat Jezus toen zei, verbaasde hen hevig: “Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn uur is nog niet gekomen”. Hoe kon hij zo grof met zijn moeder omgaan? Moesten ze hier een voorbeeld aan nemen?

Inderdaad had iedere andere vrouw zich afgewezen gevoeld, op haar nummer gezet. Maria niet! Zij leefde met de Schrift. Zij en haar zoon communiceerden vaak via Bijbelteksten. Wat ervoor en erna kwam, daar ging het om. Het was een raadsel met één oplossing.

“Vrouw, wat heb ik met u te doen…” De zin “wat heb ik met u te doen” staat enkele keren in de Schrift. Maar één keer is een vrouw erbij betrokken. Daar staat deze zin tussen twee grote wonderen! “Wat heb ik met u te doen, man Gods” *, had de weduwe van Zarfath gezegd toen haar zoon was gestorven. Elia had hem daarna opgewekt. Toch schrikt Maria even erg. Zou nu haar eigen zoon sterven? Nee, “Mijn uur is nog niet gekomen”, had Jezus toegevoegd. Dan ging het dus om het wonder vóór de geciteerde zin. Toen had Elia gezorgd dat het meel in de pot van de weduwe en de olie in haar kruik niet opraakten. Dat was net zo’n situatie als nu! De boodschap was duidelijk: Jezus zou het tekort aan wijn gaan verhelpen! Maar die weduwe van Elia had wel precies moeten doen wat hij tegen haar zei. Eigenlijk een wonder dat ze dat had gedaan in haar situatie. En de bedienden nu dan, zouden die Jezus gehoorzamen? Maria wist wat haar te doen stond. Ze liep naar hen toe en zei: “Wat Hij ook tegen u zal zeggen, doe het“. De mannen keken haar vreemd aan. Waar had ze het over?

Zes stenen watervaten. Bron: Israël Museum, Jeruzalem

Toen Jezus even later naar hen toekwam en zei dat ze de zes watervaten moesten vullen, gaven twee dingen voor hen de doorslag dat ze hem gehoorzaamden. De beslistheid waarmee de moeder van Jezus hun had aangesproken en de woorden die ze gebruikt had. Dat waren dezelfde woorden als die de Farao had gesproken over Jozef toen het graan op was (Gen. 41:55). Ook de bedienden kenden de Schrift. 

Toelichting bij dit verhaal.