Zacharias gaat staan achter het reukofferaltaar. Alleen, in de heilige hal van de tempel. Uit een vuurpan giet hij gloeiende kolen op het altaar. Hij schikt ze netjes tot een mooi rond hoopje vuur. Dan pakt hij een zakje en strooit er korrels op. De tempel wordt gevuld met de karakteristieke geur die alleen het reukoffer heeft. Zacharias had er weleens een vleug van opgevangen, maar nu staat hij vol in de wolk. Als een toevallige gast, die mag meegenieten van wat bestemd is voor God. Hij bidt.
Mijn beê, met opgeheven handen, Klimm’ voor Uw heilig aangezicht, Als reukwerk, voor U toegericht, Als offers, die des avonds branden.
Zo had zijn vader deze Psalm 141 gebeden en ook zijn grootvader. Een lange lijst van voorouders. Minstens tot vader Azarja, in de tijd toen Ezra en Nehemia de tempeldienst opnieuw regelden. Misschien nog veel langer. Had David dit gebed voor het reukoffer speciaal voor hogepriester Zadok gemaakt? Of had David opgeschreven wat al sinds Aaron werd gebeden?
Net als zijn vaderen was Zacharias begonnen met het eerste vers.
‘k Roep, HEER, in angst tot U gevloden, Ai, haast U tot mijn hulp en red; Hoor naar de stem van mijn gebed, Daar ik U aanroep in mijn noden.
Hij had gedacht aan zijn eigen noden. Daar nodigt deze psalm toe uit. Zijn kinderloosheid. Voor hem en zijn vrouw Elisabeth het grote verdriet.
Uit een jarenlange gewoonte bracht hij dit in gebed. ‘Haast U tot mijn hulp’, had hij thuis altijd gebeden. Nu, op zijn meest bijzondere moment, bad hij hetzelfde, al had hij geen enkele hoop meer. ‘Het ging haar niet meer naar de wijze der vrouwen’, klonk de Schrift in hem door.
Zet, HEER, een wacht voor mijne lippen; Behoed de deuren van mijn mond, Opdat ik mij, tot genen stond, Iets onbedachtzaams laat’ ontglippen.
Natuurlijk bad hij dit in het oud-Hebreeuws. Dat klonk voor hem en zijn tijdgenoten ongeveer zoals voor ons een oude psalmberijming. Vertrouwd en verouderd. Verheven taal met geheimen.
D’ oprechte sla mij zonder vrezen, Ik reken zulks weldadigheid…
De rook wordt langzaam minder dicht. Plotseling ziet hij in de nevel een man, vlak bij hem, rechts naast het altaar. Hij weet niet wat hij er van moet denken. Heeft hij kwade bedoelingen? ‘Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elizabeth zal u een zoon baren en u zult hem de naam Johannes geven’, hoort hij de man zeggen. Deze vervolgt zijn boodschap en vertelt wat voor iemand die zoon zal zijn en wat hij gaat doen.
Eerst is Zacharias verbouwereerd, maar al snel raakt hij verontwaardigd. Hij, Zacharias van de afdeling van Abia, is de enige die hier in het Heilige van de tempel hoort te zijn! Wie is deze figuur om hier te staan en om dit soort dingen te beweren? Des te langer de man spreekt, des te meer neemt Zacharias’ scepsis toe. Ik een zoon krijgen? Een profeet zelfs? Iemand als Elia notabene! Deze fantast moet direct uit de tempel gezet worden! Toch weerhoudt iets in deze vreemdeling hem om de daad bij het woord te voegen. Als de man is uitgesproken, brengt hij alleen uit: ‘Hoe zal ik dat weten? Want ik ben oud en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen.’
Zacharias laat Jeruzalem en de tempel achter zich. Op weg naar huis. Hij kan geen woord zeggen, maar van binnen juicht hij! Hij begint zelfs te lachen. ‘Het gebed is verhoord! De HEER heeft een wacht voor mijn lippen gezet. De Oprechte heeft mij geslagen. Dan zal Hij alles laten gebeuren, zoals gezegd is!’
Dit stukje is eerder verschenen in het Protestants Kerkblad Delft in de adventstijd van 2018
Jezus deed zijn intocht in Jeruzalem als de lang beloofde Koning. Hij bracht de stad in opschudding. Hij stuurde ook de verkopers weg uit de tempel (Marcus 11:15). Nu komen de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten naar Hem toe met de vragen: “Met welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven om deze dingen te doen?”
In de tijd van Jezus werd je niet zomaar Rabbi. Daar moest je toe benoemd worden. Dat gebeurde dan door handoplegging, nadat de kandidaat door verschillende Rabbi’s was ondervraagd. Net zoiets als wanneer iemand nu op een universiteit promoveert tot doctor. Daarna had de rabbi geestelijk gezag.
Jezus kan hierop het echte antwoord niet geven, namelijk dat hij door Zijn Hemelse Vader tot Messias is aangesteld. Dat hadden ze zeker niet aangenomen. Daarom komt Hij met de vergelijking met de doop van Johannes. Daarvoor geldt immers hetzelfde. Ook Johannes de Doper was niet officieel door hen aangesteld.
De slechte landbouwers
Vervolgens vertelt Jezus de gelijkenis van de slechte landbouwers (12:1-12). Zonder het rechtsreeks te zeggen, geeft Hij zijn tegenstanders wel een paar schokkende zaken te concluderen.
Jezus is de Zoon van God.
Zijn opponenten, de huidige leiders zullen er zelfs toe komen om Hem te doden
God zal de huidige leiders het gezag ontnemen.
Ze hebben direct begrepen dat Hij met de wijngaard verwees naar Jesaja 5.
Drie vragen
Dan komen er drie vragen op Jezus af. Drie vragen, onafhankelijk door verschillende mensen gesteld. Het waren niet zomaar vragen, maar dé strijdpunten van die tijd.
Jezus weet op alle drie vanuit een volkomen nieuwe invalshoek een afdoend antwoord gegeven! Een bewijs van Goddelijke genialiteit!
Wij zijn aan deze passages gewend en verbazen ons er niet zo meer over. Om te zien hoe bijzonder de antwoorden van Jezus waren, moet je inleven in Zijn tijd. Per vraag zijn ze hier uitgewerkt.
Er zit een duidelijke progressie in de intentie achter de vragen. De eerste was bedoeld om Jezus te laten arresteren, de tweede alleen om zijn ideeën belachelijk te maken en de derde om hem te bevragen over een belangrijk punt. Van uiterst negatief tot positief dus.
Toen durfde niemand hem meer iets te vragen (:34). Dat is raar! Zo’n geniale rabbi zou je alles willen vragen! Op het gebied van bijbeluitleg en voor persoonlijke zaken. Dat gebeurt nu nog in orthodox Joodse kringen. Hieruit blijkt de vijandige, bevooroordeelde houding van de Joodse leiders toen.
Er is nog een reden waarom ze verder niets vroegen. Ze liepen nu namelijk een groot risico.
Na de zin: “Niemand durfde Hem meer iets te vragen” staat er “en Jezus antwoordde”. Dat lijkt vreemd Er was toch juist geen vraag! Het Griekse woord apokrinomai heeft een ruimere betekenis: “reageren”. Dat kan door een antwoord te geven of op een andere manier. Hij reageerde dus op het feit dat niemand hem iets durfde vragen. Dat is de vraag over de Messias, de Zoon van David.
Christus, Zoon van David
En Jezus antwoordde en zei, terwijl Hij onderwijs gaf in de tempel: Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Christus een Zoon van David is? Want David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tegen mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten. David noemt Hem dus zelf zijn Heere en hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? (Markus 12:35-37)
Vroeger begreep ik niets van dit gedeelte. Ik las “hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn?” als een retorische vraag. Probeerde Jezus nou onderuit te halen dat de Messias de zoon van David is? Helemaal niet! Het is geen retorische vraag, maar een ondervraging, zoals bij een universitaire promotie.
We weten uit de Talmoed dat de kandidaat-rabbi ondervraagd werd op vier categorieën.
Een praktische uitwerking van de wet (Chokma, halacha)
Over bijbeluitleg. (Haggadah)
Een vraag waarin een standpunt van de Rabbi belachelijk wordt gemaakt. (Boruth)
Principes waaruit je moet leven. (Derech ‘eretz)
Zonder dat ze er enigszins op uitwaren, was Jezus nu ondervraagd op categorieën 1, 3 en 4. En dat niet op vergezochte punten, maar op de vragen van die tijd. 1 – de belastingpenning, 3 – de opstanding, 4 – het grootste gebod. Nu durfden ze Hem niet meer te vragen. Als hij nog één goed antwoord gaf over bijbeluitleg, hadden ze hem zelf tot Rabbi moeten promoveren. Dat risico wilden ze niet lopen.
Daarom komt Jezus zelf met een vraag uit deze categorie. Daarop weten zelfs zijn geleerde opponenten het antwoord niet. Hij wel! De Messias is zowel de zoon van David als de Zoon van God.
Hiermee geeft Jezus en passant antwoord op de vragen aan het begin van het gedeelte. Met welke bevoegdheid? De bevoegdheid als Messias, de zoon van David! En wie heeft de bevoegdheid gegeven? God zelf!
Gepromoveerd!
En bovendien hadden zijn opponenten Jezus dus volgens hun eigen regels, op grond van de vier antwoorden, moeten promoveren tot Rabbi. Summa Cum Laude!
En een van de schriftgeleerden, die hen hoorde redetwisten en wist dat Hij hun goed geantwoord had, kwam naar Hem toe en vroeg Hem: Wat is het eerste van alle geboden? En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle geboden is: Luister, Israël! De Heere, onze God, de Heere is één. En u zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod groter dan deze. En de schriftgeleerde zei tegen Hem: Juist, Meester, U hebt naar waarheid gezegd dat God één is, en er is geen ander dan Hij. En Hem lief te hebben met heel het hart en met heel het verstand en met heel de ziel en met heel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers. En toen Jezus zag dat hij verstandig geantwoord had, zei Hij tegen hem: U bent niet ver van het Koninkrijk van God. En niemand durfde Hem meer iets te vragen.
Ik heb er lang over gedaan voor ik doorhad wat hier nou bijzonder is in het antwoord van Jezus. Wij zijn het ook zo gewend in de kerk! “Dit is het eerste en het grote gebod en het tweede daaraan gelijk…”
De vraag over het eerste gebod was onder schriftgeleerden populair. Bedoeld werd natuurlijk niet het eerste in tijd, maar een samenvatting van de wet, als principe om vanuit te leven, waar de hele Thora uit zou volgen. Zoiets als dat de natuurkundigen vanaf Einstein tot nu proberen om alle natuurkrachten onder te brengen in één theorie.
Bekend was het verhaal over de rabbi’s Shammai en Hillel, die een generatie eerder hadden geleefd. Er was een heidense man die naar Shammai kwam en tegen hem zei: ‘Ik wil wel proseliet worden, maar alleen op voorwaarde dat je me de hele Thora leert terwijl ik op één voet sta”. Shammai joeg hem weg met een meetlatje, dat hij bij zich had. De man ging toen naar Hillel met hetzelfde voorstel. Die had geantwoord: “Wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook je naaste niet. Dat is de hele Thora. De rest is commentaar. Ga en leer dat te doen!”
Andere antwoorden waren Micha 6:8: “recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God”, of “Zoek mij en leef” uit Amos 5:4 of “De rechtvaardige zal uit zijn geloof leven”, Habakuk 2:4.
Opponent
Uit het feit dat deze wetgeleerde Jezus met deze vraag confronteert, blijkt dat hij Jezus als een volwaardige opponent zag. Niet de vijandige houding van de Farizeeën met de belastingvraag of de minachting van de Sadduceeën met de opstandingsvraag.
Het Eerste Gebod
Jezus’ antwoord met dé Joodse Geloofsbelijdenis uit Thora is verrassend elegant!
En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle geboden is: Luister, Israël! De Heere, onze God, de Heere is één. En u zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht (Deuteronomium 6:4,5). Dit is het eerste gebod.
Dit antwoord plaatst God bovenaan!
De woorden “uw verstand” staan niet in Deuteronomium. Waarom hier wel? In het Hebreeuws houdt “hart” ook het verstand in. Niet alleen gevoel. “Hij overlegde in zijn hart”. In het Nederlands is dat niet zo. Bij ons kan het zijn: “mijn hart zegt ja, maar mijn verstand zegt nee”. In het Grieks is het ook niet zo duidelijk. Daarom heeft Marcus de woorden van Jezus dynamisch equivalent vertaald en “verstand” erbij gezet. Anders dan de Satenvertaling!
Het Tweede Gebod
En het tweede, hieraan gelijk, is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod groter dan deze.
Het tweede gebod? Daar had nog nooit iemand naar gevraagd! De schriftgeleerden hadden het steeds alleen gehad over een eerste gebod. “U zult uw naaste liefhebben als uzelf” is ook een veel minder opvallende tekst, bijna terloops genoemd in Leviticus 19:18. Jezus stelt hiermee dat je God liefhebt door je naaste lief te hebben. Dat is de verrassing in Jezus’ antwoord!
Door de liefde tot de naaste te noemen komt het dichtbij. Heb ik wel mijn naaste lief? In ieder geval hadden de voorgaande Farizeeën en Sadduceeën Jezus niet lief! Zij hadden geprobeerd om hem ten val te brengen.
Uit de reactie van deze wetgeleerde blijkt dat hij Jezus nu nog meer respecteert. Hij beaamt hem en vult hem aan.
"Luister, Israël! De Heere, onze God, de Heere is één. En u zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht. En het tweede is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf."
Batik van Greet Visser
Dichtbij
En toen Jezus zag dat hij verstandig geantwoord had, zei Hij tegen hem: U bent niet ver van het Koninkrijk van God. Met andere woorden: “U bent er heel dichtbij!”
En hoe dan verder? Van dichtbij zijn, erin komen? Door het eerste en het tweede gebod te gaan te doen! Dan loop je er ook vanzelf tegenaan dat het niet lukt en dan moet je gaan vertrouwen op Gods genade.
De vraag of er leven is na de dood is van alle tijden. In de tijd van Jezus was dit een groot strijdpunt. Een belangrijk verschil ook tussen Farizeeën en Sadduceeën.
Marcus 12:18-27Er kwamen ook Sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is, en zij vroegen Hem: Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven: Als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat en geen kinderen nalaat, dat dan zijn broer diens vrouw tot vrouw moet nemen en voor zijn broer nageslacht verwekken. Nu waren er zeven broers; en de eerste nam een vrouw en liet bij zijn sterven geen nageslacht na. Ook de tweede nam haar tot vrouw en stierf, en ook deze liet geen nageslacht na; en de derde evenzo. En alle zeven namen haar tot vrouw en lieten geen nageslacht na; als laatste van allen stierf ook de vrouw. In de opstanding, wanneer zij opgestaan zullen zijn, van wie van hen zal zij dan de vrouw zijn? Want alle zeven hebben haar als vrouw gehad. En Jezus antwoordde hun: Dwaalt u niet daardoor, dat u de Schriften niet kent en ook niet de kracht van God? Want wanneer ze uit de doden opgestaan zullen zijn, trouwen ze niet en worden ze niet ten huwelijk gegeven, maar zijn ze als engelen in de hemelen. En wat betreft de doden, dat zij opgewekt zullen worden: hebt u niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in de doornstruik tot hem sprak: Ik ben de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob? Hij is niet een God van doden, maar een God van levenden. U dwaalt dus erg.
Belachelijk
De Sadduceeën waren ervan overtuigd dat opstanding van doden een verzinsel is. Ze zien een kans om de populaire zelfverklaarde rabbi Jezus af te laten gaan. Met hem ook alle andere Farizeeën, want zo zullen ze Jezus wel gezien hebben. Ze zetten het dik aan om hem belachelijk te maken. Niet “wat gebeurt er als een vrouw twee keer getrouwd is geweest”, maar een heel verhaal over een vrouw die achter elkaar zeven mannen heeft gehad. Overigens hebben ze niet een man als onderwerp van hun verhaal gekozen. Blijkbaar was het geen vreemd idee dat een man, opgestaan, een hele harem om zich heen zou hebben. In de evolutie van de mensheid is deze gedachte later doorontwikkeld tot zelfs 72 maagden.
Misvatting
Eerst moet Jezus een misvatting corrigeren. Het idee dat bij de opstanding de doden uit hun graf kruipen zoals ze erin gegaan zijn. Wel gezond en jong uiteraard, met alles erop en eraan. Zoals de schilders het altijd hebben afgebeeld.
Laatste Oordeel. 15e eeuw. Afkomstig uit Très Riches Heures du duc de Berry.
Engelen
“Ze zijn als engelen in de hemel”. Dezelfde persoon, maar toch helemaal anders. Paulus vergelijkt dit met een graankorrel en de halm die daaruit groeit. Die zien er heel anders uit en toch is het dezelfde plant.
Thora
Dan het antwoord. Probleem was dat de Sadduceeën ervan overtuigd waren dat alleen de eerste vijf boeken van de Bijbel, de Thora, van God kwam. De rest was mensenwerk.
Eerdere overtuigingspogingen van de Farizeeën zullen wel als volgt gegaan zijn: “Jullie erkennen alleen het gezag van de boeken van Mozes. Daar staat inderdaad niets in over de opstanding. Hoe komen jullie erbij dat God toen opgehouden is met spreken? De Profeten en de Geschriften zijn duidelijk genoeg! Kijk maar in Jesaja, Ezechiël, Daniel, Hosea, Job en diverse Psalmen”.
Jezus gaat juist uit van wat voor de Sadduceeën wél gezag heeft. Nog wel een zeer bekende tekst uit de Thora. Exodus 3:6, waar God tot Mozes zegt: Ik ben de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Niet: Ik was de God. De aartsvaders zijn er nog!
Dit is een onverwachte nieuwe invalshoek. Nooit zal de discussie over de opstanding meer dezelfde zijn. Toch?
Gamaliël
In de Talmoed staat dat later Gamaliël, de leermeester van Paulus, hetzelfde bewijs dacht te halen uit Deuteronomium 11:21.
“… Het land waarvan de HEERE uw vaderen gezworen heeft het hun te geven … Niet tot u, maar hun [uw vaderen die nu dood zijn]. Dus wordt de opstanding afgeleid uit de Thora”.
Dit bewijs lijkt op dat van Jezus, maar klopt niet! Op het moment dat God dit had gezworen, waren die vaderen wel in leven. Kende Gamaliël het argument van Jezus, maar wilde hij het niet gebruiken omdat hij Hem als de stichter van een sekte beschouwde? Of heeft Gamaliël juist wel Jezus nagesproken, maar was een christelijke redenering voor latere overschrijvers van de Talmoed te gortig?
De weg kwijt
“U dwaalt dus erg”. In gewoon Nederlands: “Jullie zijn helemaal de weg kwijt!” Een terechte reactie op het belachelijk maken van een belangrijk punt in de Schrift. De opstanding uit de dood. Die we ook zelf hopen mee te maken!
Het verhaal in Exodus 2 gaat over een anonieme man met een anonieme vrouw. Hun namen zijn pas veel later bekend geworden. Slaven waren ze, geknecht door een ander volk. De vrouw werd zwanger. Hun eigenaar, de tirannieke Farao van Egypte, vond de aanwas van zijn slaven bedreigend. Daarom had hij bevolen dat alle jongetjes die geboren werden gedood moesten worden. Populatiebeheersing, zoals wij dat doen bij herten en zwijnen in natuurgebieden. Meisjes deden er voor hem niet toe. Bij de geboorte bleek het een jongetje te zijn!
De vrouw zag dat het goed was, staat er. Ze keek naar dit kind met een vreugde die gelijk was aan hoe God heeft gekeken naar zijn schepping. Alles om haar heen was niet goed door de slechtheid van de mensen, maar dit kind was goed. Daar moest God een bedoeling mee hebben! Dit kon niet geboren zijn om direct gedood te worden. Ze waagde het erop om het in leven te houden. Dan maar ongehoorzaam aan de overheid, met risico op zware straf. Ze verborg het drie maanden. Toen zal het wel te luidruchtig zijn geworden.
De Ark
Wat moest ze nu doen? Een toestand zo erg als deze was nog nooit voorgekomen. Haar moeder kon haar niet helpen. Haar grootmoeder, als die nog leefde ook niet. Het enige wat ze had voor raad waren de Woorden over God. De geschiedenis van hun voorouders, die een bijzondere band hadden met één heel bijzondere God. Over Jacob, Izaäk, Abraham, Noach. Doorverteld van moeder op dochter. Veel volksgenoten hoorden deze verhalen aan als sprookjes. Fantasie, bedacht om hun, die door de goden bestemd waren tot slaven, nog enige eigenwaarde te geven. Deze vrouw geloofde ze wel! Zij dacht: Ons hele volk wordt vernietigd door het water, net als bij de zondvloed. Toen kwam de tekst naar boven:
Maak voor uzelf een ark van goferhout. In vakken ingedeeld moet u deze ark maken en hem van binnen en van buiten met pek bestrijken. (Gen 6:14).
Dat moet ik doen! Een arkje maken!
Maar toen zij hem niet langer kon verbergen, nam zij voor hem een arkje van papyrus en bestreek het met asfalt en pek.
Dat die teksten zo op elkaar lijken, kan geen toeval zijn! Het woord dat meestal wordt vertaald met “mandje” of “kistje” wordt verder alleen gebruikt voor de ark van Noach. – Zij legde het kind daarin en zette het tussen het riet aan de oever van de Nijl. En nu afwachten. Zou het arkje wegdrijven als het water gaat stijgen, net als de ark van Noach? Of zou het in het riet blijven? Zelf durfde ze niet te kijken. Ook wilde ze niet ontdekt worden. Daarom had ze haar dochtertje in de buurt laten staan. “Kijk jij nu wat er verder gebeurt”.
De Redding
Uiteindelijk gebeurde er het beste wat kon gebeuren, alleen leek het daar in het begin helemaal niet op! Een dochter van de grote tiran en slavenbezitter kwam langs. Wonderlijk genoeg negeerde zij het bevel van haar vader. Haar medelijden werd namelijk opgewekt door het huilende baby’tje. Ze wilde het kindje zelf houden. Gelukkig stond ze boven de wet, zoals alle familie van despoten.
Toen deed Mirjam, de zus van de baby, een fantastische zet. Wat een bijdehante meid! Alleen meiden kunnen, denk ik, zo zijn. Als ze de oudere broer Aaron hadden ingezet, was er vast niets van Mozes terechtgekomen. “Zal ik voor u een voedster uit de Hebreeuwse vrouwen gaan roepen”?
Het was ondenkbaar dat een Egyptische vrouw een kind van slaven zou gaan zogen, dus het idee van een Hebreeuwse min was heel logisch. Het eindigde ermee dat de moeder nog geld kreeg ook voor het zogen van haar eigen kind! Dat is humor van God.
Geloof
Dus de combinatie van een gelovige moeder, die haar geloof in daden omzette, een prinses met medelijden en een bijdehand meisje hebben Mozes gered. Drie vrouwen. En dan te bedenken dat de Farao dacht dat het geen kwaad kon om de vrouwen te laten leven!
Uitsluitend door haar geloof is de slavenvrouw uit de anonimiteit gekomen en bekend geworden als Jochebed de moeder van Mozes, de belangrijkste man uit het Eerste Testament.
De Prinses
Wat was die moeder blij dat ze haar kind voorlopig terug had en dat hem een toekomst wachtte aan het koninklijke hof! De prinses was minstens even blij. Kinderloos als ze was, had ze zich elke maand gereinigd in de Nijl om zo van Hapy, de God van de Nijl, vruchtbaarheid af te smeken. Bij wie anders moest ze zijn, dan bij de godheid die het hele land vruchtbaar maakte?! Nu had hij haar een kind gegeven. Een kind van de Nijl, van Hapy zelf! O Hapy Day, zong ze luid. Uiteraard de Egyptische versie van dit lied.
Lawrence Alma Tadema - The Finding of Moses
Met dank aan Lukas de Groote voor enkele ideeën die in dit verhaal verwerkt zijn.
Mat 13:45-46 Ook is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman die mooie parels zoekt. Toen hij één parel van grote waarde gevonden had, ging hij heen en verkocht alles wat hij had, en hij kocht hem.
Alle oude commentators hebben deze gelijkenis zo uitgelegd dat wij de koopman zijn en de parel het evangelie. En inderdaad is het leren kennen van Christus van onschatbare waarde. Maar dat wij alles daarvoor zouden moeten opgeven? Is dat mogelijk? Nee, sinds enkele tientallen jaren is het besef doorgedrongen dat Christus die koopman is! Hij is op zoek en vindt op deze aarde een schat waar hij alles voor over heeft. Die schat is zijn gemeente. Hij heeft daar echt alles voor opgegeven, zelfs zijn eigen leven.
En zeg maar zelf. Lijkt de aarde van een afstand op een parel of niet?
Het verhaal van Juda en Tamar uit Genesis 38 lijkt op het eerste gezicht een sensationeel, op zichzelf staand, verhaal dat alleen in de geschiedenis van Jozef is geplakt omdat het in die tijd heeft gespeeld. Door in te leven in de situatie wordt duidelijk dat dit hoofdstuk essentieel is om het vervolg van wat er gebeurde bij Jozef te begrijpen.
Juda
Juda ging bij zijn broers vandaan. Wat zat daar achter? Ruben was de oudste. Hij had van nature de verantwoordelijkheid over de jongere kinderen. Juda was het vierde kind van zijn moeder Lea en bleef lang de jongste. Het jongste kind uit een gezin is meestal onbezorgd en creatief. Later kreeg hij nog twee broertjes en een zusje. Middelste kinderen leren vanzelf om anderen in te schakelen, niet zozeer om leiding te geven. Juda was ook een kind van het loslaten. Toen hij geboren werd kon zijn moeder haar problemen opzij zetten en zeggen: nu zal ik de Heere loven. Niets lijkt hem dus te bestemmen tot verantwoordelijkheid. Toch zegt Jacob op zijn sterfbed: Juda, gij zijt het! Ruben heeft zich als verantwoordelijke oudste gediskwalificeerd doordat hij met zijn vaders bijvrouw naar bed is gegaan. Simeon en Levi hebben Sichem uitgemoord. Nu benoemt Jacob de onbezorgde Godlover tot familiehoofd. Hoewel we dit in Genesis pas expliciet horen bij het sterven van Jacob, moet het voor de broers al lang duidelijk zijn geweest.
Ondertussen heeft Juda de grootste moeite met zijn nieuwe rol. In het vorige hoofdstuk, de verkoop Jozef, zien we dat Ruben zich verantwoordelijk voelt, maar hij heeft bij zijn broers geen gezag. Daarom probeert hij stiekem Jozef te bevrijden. Juda neemt ondertussen het initiatief om Jozef als slaaf te verkopen. Dan waren ze van hem af en ze verdienen er nog wat aan ook. Hij voelt geen verantwoordelijkheid voor Jozef of voor het welzijn van zijn vader. Zo dwarsboomt hij de bedoeling van Ruben. Die is daar wanhopig om. Het is een lastige situatie met die botsende verantwoordelijkheden. Nu loopt Juda daarvan weg.
Juda gaat dus bij zijn broers vandaan en trekt op met een Kanaäniet, Hira. Letterlijk staat er: Hij daalde af van zijn broers en hij boog af naar een man van Adullam. Hebron ligt inderdaad hoger dan Adullam, maar de tekst geeft ook een hint. Het leven van Juda werd laag en krom. Hij vindt ook een Kanaänitische vrouw. Izak en Rebecca haatten het toen Esau Kanaänitische vrouwen nam. Haar naam wordt niet genoemd. Er kan de naam van een afgod in hebben gezeten. Niet geschikt om uit te spreken in tempel of synagoge.
Tamar
Juda krijgt bij haar drie zonen. Voor de oudste vindt hij een vrouw, Tamar. Er staat dat Er slecht was in de ogen van de Heere en dat hij hem daarom doodde. Details ontbreken. Misschien maar gelukkig. Volgens de regels van het zwagerhuwelijk geeft Juda haar aan zijn tweede zoon. Het eerste kind zou dan als zoon van Er gelden. Onan gunt zijn overleden broer geen nagelacht en geen erfenis. Die krijgt hij liever zelf. Hij lijkt te doen wat zijn vader hem vraagt, maar hij ontduikt het met de middelen tot zwangerschapspreventie die toen beschikbaar waren. De Heere doodt ook hem. Hier is het in ieder geval duidelijk wat de reden was.
Was Juda gaan denken dat Tamar ongeluk bracht, of verwachtte hij dat Sela hetzelfde zou doen als Onan en dan hetzelfde lot zou ondergaan? Zo vader, zo zonen. Geen verantwoordelijkheid voor familie. In ieder geval stuurt hij haar naar haar ouders terug. Als ze na jaren ziet dat Juda niet van plan is om haar aan Sela te geven, komt ze tot een onconventionele daad.
De actie van Tamar kon alleen werken als ze wist dat Juda regelmatig prostituees bezocht. Er staat dat “Juda troost vond” na de dood van zijn vrouw. Dat zal dan wel op die manier zijn geweest. Het schijnt gebruikelijk te zijn dat publieke vrouwen gesluierd waren, dus ze hoefde niet bang te zijn voor herkenning. Hoe werkt een onderpand? Zoiets is nodig als mensen elkaar niet vertrouwen. Maar als het onderpand meer waard is dan de uiteindelijke prijs, kan de ontvanger ermee vandoor gaan. Is het minder waard, dan kan de gever het er bij laten zitten. De truc is, om iets te vinden dat voor de gever meer waard is dan voor de ontvanger. Hier is dat zeker het geval. Een zegel was een rolletje met een persoonlijk logo, of een persoonlijke tekst. Je kon er een afdruk mee maken in klei of was. Dat fungeerde als handtekening. Het zegel werd soms aan een koord om de hals gehangen. Dus zegel en koorden zijn eigenlijk één voorwerp. Een staf was voorzien van persoonlijk houtsnijwerk. Zegel en staf waren toen net zoiets als een paspoort en rijbewijs nu. Het was best lichtzinnig van Juda om die aan een wildvreemde vrouw mee te geven. Al verwachtte hij ze natuurlijk weer terug te krijgen, omdat zij er toch niet veel aan had. Daar zat hij ver naast!
Van zegels als deze zijn er tienduizenden gevonden in het Midden Oosten. Ze zijn twee tot drie centimeter groot. Deze had als logo een sterke man die een leeuw te grazen neemt. Het kan best zijn dat Juda toen ook al een leeuw als logo had op zijn zegel.
Opkomen voor een ander
Het is ontroerend om te lezen hoe Tamar haar sluier aflegde en de kleren van haar weduwschap weer aantrok. Zij voelde zich nog steeds weduwe van haar overleden man. Ze was nog steeds trouw aan hem, ondanks hoe hij geweest mocht zijn. Dit contrasteert erg met Juda, die blijkbaar snel de dood van zijn vrouw van zich af kon zetten.
Tamar is altijd een voorbeeld geweest van iemand die voor haar eigen recht opkwam. In de zeventiende eeuw waren schilderijen van Juda en Tamar hier populair. Behalve dat het een aanleiding was om een liefdespaar te schilderen, zag men ook een parallel met Nederland! Dat was ook voor zijn eigen recht opgekomen door van Spanje af te scheiden.
Juda en Tamar. School van Rembrandt
Blijkbaar zag men eraan voorbij dat Tamar minstens evenveel opkwam voor de rechten van een ander! Ze zorgde ervoor dat de naam en het erfdeel van haar man bleven voortbestaan. Later, bij Ruth, komen we dit ook tegen. Als ze naar Boaz gaat om hem te vragen om losser te zijn, prijst hij haar: En hij zei: Gezegend bent u door de HEERE, mijn dochter! U hebt met deze laatste blijk van goedertierenheid van u de eerste nog overtroffen, doordat u geen jongemannen nagelopen bent, geen arme en geen rijke.
We hebben hier, in deze heel speciale omstandigheid, dus de paradoxale situatie dat iemand werkelijk haar trouw bewijst door de hoer te spelen!
Heilig
Juda heeft het gewoon over een hoer, maar als zijn Kanaänitische vriend Hira haar gaat zoeken, gebruikt hij een ander woord. Het is vreemd om dat in het Hebreeuws te lezen, want er staat קְדֵשָֽׁה K’desha, zoiets als heilige vrouw! Heilig betekent oorspronkelijk “toegewijd aan God”. In Kanaän waren er vrouwen die aan de vruchtbaarheidsgodin waren gewijd. Als een man met haar gemeenschap had, had hij ook gemeenschap met Astarte, of hoe die godin in die tijd ook heette. Deze vrouwen stonden in de heidense cultuur in aanzien. In Deuteronomium staat dat dergelijke praktijken de Heere een gruwel zijn. Andere normen en waarden!
Als Hira de vrouw niet kan vinden, besluit Juda gauw dat ze maar moeten stoppen met zoeken. Hij is bang dat ze te schande worden. Blijkbaar vond hij het uitlenen van zijn identiteitsbewijzen toch niet zo’n slimme zet.
Als Juda hoort dat Tamar zwanger is, wil hij haar nota bene laten verbranden! De ergste straf voor overspel was steniging. En dan voor de vrouw én de man (vastgelegd in de wet van Mozes)! Juda gunde het Tamar zelfs niet dat er een plaats was om over haar te rouwen. Was dit overcompensatie voor zijn eigen slechte geweten? Niettemin, in zijn buitensporige verontwaardiging en dubbele moraal, blijkt Juda toch de normen en waarden van de God van Israel in zijn geweten te hebben. Je kunt je niet voorstellen dat men in de Kanaänitische cultuur, waarin prostitutie heilig was verklaard, ermee zou zitten als een alleenstaande vrouw zwanger werd.
Tamar wordt de stad uitgebracht. Ze heeft nog een laatste wens – dat het zegel en de staf bij Juda worden bezorgd. Met de woorden: Van de man bij wie dit hoort, ben ik zwanger.
Identiteit
Toen Juda zijn zegel en zijn staf zag, moet dat een ontzettende schok zijn geweest. Hij had zijn eigen nageslacht ter dood veroordeeld! En in feite ook zijn eigen gedrag. Hij moest erkennen: Zij is rechtvaardiger dan ik.
Als we hierna over Juda lezen, komen we een heel andere Juda tegen. Hij is degene die zijn vader weet over te halen om Benjamin mee te laten gaan naar Egypte, doordat hij zich borg stelt. Voor de onderkoning van Egypte houdt Juda een betoog om hem te overtuigen dat het niet kan bestaan dat Benjamin in Egypte zou blijven. Dan wil hij zelf voor de rest van zijn leven slaaf zijn in plaats van Benjamin. Juda voelt zich nu helemaal verantwoordelijk voor zijn vader en voor zijn broer!
Het is geen vreemde veronderstelling dat de omslag in de houding van Juda heeft plaatsgevonden toen Tamar hem door zijn zegel en staf confronteerde met zijn eigen gedrag. Zij had immers wél de verantwoordelijkheid genomen. Voor haarzelf en voor het nageslacht en erfdeel van haar overleden man. Daarmee ook voor het nageslacht en erfdeel van Juda zelf. Ze was daarvoor tot het uiterste gegaan.
Er zit symboliek in het verlies en weer vinden van Juda’s bewijzen van identiteit. Hij verloor als het ware zijn identiteit aan een hoer en hij kreeg ze weer terug van de moeder van zijn kinderen. Hiermee was het uit met zijn lichtzinnig gedrag en begon hij zijn verantwoordelijkheid te nemen.
De eerste zal de laatste zijn
Tamar is zwanger van een tweeling. Alsof God haar extra zegende. Juda krijgt zo ook weer twee zonen in de plaats van de twee die overleden zijn. De bevalling is merkwaardig. Eerst is er een handje, waar de vroedvrouw een rode draad aan bindt. Zijn broertje komt hem voor. Daarom wordt hij Perez, doorbraak, genoemd. Hij geldt later toch als de eerstgeborene. Daarna komt het kindje met het rode draadje ter wereld. Zijn naam wordt Zera, zonsopkomst.
We zien dit steeds terug. Kaïn en Abel, Ismaël en Izak, Jacob en Ezau. Het lijkt of God juist niet kiest wat bij mensen de eerste is. De eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten. Ook bij David natuurlijk.
Ruth
We hebben het boek Ruth al eerder aangehaald. Daar zeggen de mensen tegen Boaz
Ruth 4:12 En moge uw huis worden als het huis van Perez, die Tamar aan Juda baarde, door het nageslacht dat de HEERE u uit deze jonge vrouw geven zal.
Het boek eindigt als volgt
Dit nu zijn de afstammelingen van Perez: Perez verwekte Hezron, Hezron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nahesson, Nahesson verwekte Salma, Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed, Obed verwekte Isaï, en Isaï verwekte David.
We zien hier dat het “mooie” boek Ruth zichzelf presenteert als het vervolg op het “rauwe” verhaal van Juda en Tamar. Het pakt het geslachtsregister op waar het eerste is geëindigd.
We zien ook dat het verantwoordelijkheidsgevoel voor de familie is gebleven gedurende de geslachten. Boaz wilde graag meehelpen aan het voortzetten van het geslacht van zijn overleden neef. Zo is hij de voorvader geworden van David. En David is de voorvader geworden van de Messias.
Dit alles is aan de gang gezet door Tamar, die haar reputatie en haar leven op het spel zette voor het geslacht van Juda. Dan is de term “heilige vrouw” toch niet zo vreemd!
Net discipel van Jezus en nu al gast op de bruiloft van een familielid. Vreemd? Helemaal niet! Elke goede rabbi nam zijn leerlingen mee naar zijn privézaken. Zo konden ze leren hoe hij reageerde in alle omstandigheden. Hij had ze laten kennismaken met zijn moeder Maria, een vrouw waarvan je kon merken dat ze veel meer wist dan dat ze sprak.
Terwijl ze gezellig met elkaar zaten te praten, kwam ineens Maria op Jezus af. “Ze hebben geen wijn meer” fluisterde ze, toch hard genoeg dat de discipelen het hoorden. Wat Jezus toen zei, verbaasde hen hevig: “Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn uur is nog niet gekomen”. Hoe kon hij zo grof met zijn moeder omgaan? Moesten ze hier een voorbeeld aan nemen?
Inderdaad had iedere andere vrouw zich afgewezen gevoeld, op haar nummer gezet. Maria niet! Zij leefde met de Schrift. Zij en haar zoon communiceerden vaak via Bijbelteksten. Wat ervoor en erna kwam, daar ging het om. Het was een raadsel met één oplossing.
“Vrouw, wat heb ik met u te doen…” De zin “wat heb ik met u te doen” staat enkele keren in de Schrift. Maar één keer is een vrouw erbij betrokken. Daar staat deze zin tussen twee grote wonderen! “Wat heb ik met u te doen, man Gods” *, had de weduwe van Zarfath gezegd toen haar zoon was gestorven. Elia had hem daarna opgewekt. Toch schrikt Maria even erg. Zou nu haar eigen zoon sterven? Nee, “Mijn uur is nog niet gekomen”, had Jezus toegevoegd. Dan ging het dus om het wonder vóór de geciteerde zin. Toen had Elia gezorgd dat het meel in de pot van de weduwe en de olie in haar kruik niet opraakten. Dat was net zo’n situatie als nu! De boodschap was duidelijk: Jezus zou het tekort aan wijn gaan verhelpen! Maar die weduwe van Elia had wel precies moeten doen wat hij tegen haar zei. Eigenlijk een wonder dat ze dat had gedaan in haar situatie. En de bedienden nu dan, zouden die Jezus gehoorzamen? Maria wist wat haar te doen stond. Ze liep naar hen toe en zei: “Wat Hij ook tegen u zal zeggen, doe het“. De mannen keken haar vreemd aan. Waar had ze het over?
Toen Jezus even later naar hen toekwam en zei dat ze de zes watervaten moesten vullen, gaven twee dingen voor hen de doorslag dat ze hem gehoorzaamden. De beslistheid waarmee de moeder van Jezus hun had aangesproken en de woorden die ze gebruikt had. Dat waren dezelfde woorden als die de Farao had gesproken over Jozef toen het graan op was (Gen. 41:55). Ook de bedienden kenden de Schrift.